Naar inhoud springen

Niels Holgersson/XVI

Uit Wikisource
De oude boerin Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917) door Selma Lagerlof, vertaald door Margaretha Meijboom

Van Taberg naar Huskvarna

Een geschiedenis uit Halland
Uitgegeven in Amsterdam door H. J. W. Becht.
[ 151 ]

XVI.

VAN TABERG NAAR HUSKVARNA.



De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze bijna niet herkennen. Beide hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden, dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden verlangd. Hij was hierdoor bewogen en erover verbaasd, want hij had nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open, opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan, om te zien hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden en haar begraven.

Nauwelijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven, of ze kregen een hoogen berg in 't oog, met bijna loodrechte wanden en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met Yksi en Kaksi, Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen, dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden.

Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen, bruine moerassen, met [ 152 ]ijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De jongen kon niet alten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat geschapen had, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden, dan was het iets heel anders. Hier zag het er toen uit, alsof het met de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs en stralend helder daar lag te glanzen, alsof 't niet met water, maar met blauw licht was gevuld.

't Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen gloed gehuld, die het oog streelde. Als er landen in den hemel waren, zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende, dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in 't Paradijs uitzag.

Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze naar dat blauwe dal. Ze waren in 't allerbeste humeur, schreeuwden en waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken.

Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder regen en wind en toen 't nu opeens mooi weer werd, kwam er onder de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen, dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één, die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag.

De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen, hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep de vogels toe:

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?"

De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over den ganzenrug, en antwoordde in hun plaats:

"Daarheen, waar geen houweel of hamer is!"

Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.

"Neem ons meê, neem ons meê!" riepen ze.

"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen.

De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munk[ 153 ]meer, en altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek van 't Munkmeer. 't Was juist na den middagschafttijd, en de groote scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.

"Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?" riep een arbeider.

De wilde ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:

"Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!"

Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.

"Neem ons mee! Neem ons mee!" riepen ze.

"Van 't jaar niet, van 't jaar niet!" riep de jongen.

Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek die aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde ganzen. Zij, die het dichts bij 't venster zat, keek eruit met een lucifersdoosje in de hand, en riep:

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?"

"Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn," riep de jongen.

't Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was, maar ze antwoordde: "Neem me meê! Neem me meê!"

"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen.

Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft hooge, steile zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak in 't zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken voor een groote poort, waardoor men aan 't meer komt. En midden in die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en 't Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.

De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten 't zelfde spektakel daar als buiten op 't land. Maar in de stad antwoordde hun niemand. 't Was niet te verwachten, dat de stadbewoners naar buiten zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.

De tocht ging verder langs 't Wettermeer en na een poosje kwamen de ganzen bij 't Sanatorium van Sanna. Eenige van de [ 154 ]zieken waren op een veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij het ganzengekakel.

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" vroeg een van hen met zulk een zwakke stem, dat het nauwelijks hoorbaar was.

"Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!" antwoordde de jongen.

"Neem ons mee!" zei de zieke.

"Van 't jaar niet!" antwoordde de jongen. "Van 't jaar niet!"

Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange, smalle watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het dal lag de school.

Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd.

"Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?" schreeuwden de kinderen.

"Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!" antwoordde de jongen.

"Neem ons mee!" schreeuwden de kinderen. "Neem ons mee?"

"Van 't jaar niet! Van 't jaar niet!" riep de jongen, "maar later!"