Niels Holgersson/XXI
| ← Het baaien kleed | Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917) door Selma Lagerlof, vertaald door Margaretha Meijboom | De nonnen → |
| Uitgegeven in Amsterdam door H. J. W. Becht. |
XXI.
DE GESCHIEDENIS VAN KARR EN GRAUWEL.
KARR.
Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen, zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen aan te jagen, die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen naar het bosch, en hem dood te schieten.
De boschwachter deed den hond aan den ketting, om hem naar een plaats in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man, maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.
De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen zeiden. Terwijl de boschwachter hem door 't bosch bracht, wist hij heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan hem merken. Hij liet den koop en den staart niet hangen, maar zag er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze 't bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en in [ 195 ]toom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd, een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren er dan ook bij massa's. Ze noemden het onder elkaar het "Vrijbosch", en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.
"Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze wisten wat me wachtte," dacht hij. En hij kwispelde met den staart, en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of gedrukt was.
"Wat zou er aan 't leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens had mogen jagen?" dacht hij. "Wie berouw hebben wil, mag dat voor mijn part. Ik doe niet meê!"
Maar juist toen de hond dat dacht, kwam een zonderlinge verandering over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams in den zin gekomen was.
Het was vroeg in den zomer. De jongen elanden waren juist geboren, en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een moeras te drijven. Daar har hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort na het ontdooien van den grond, en dat het zoo'n groot dier, als zij was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê, en keerde weer terug.
De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in den modder, en zij ging meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat gelukte niet, — ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken, en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij een eland in 't ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan, vóór hij thuis was.
Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed hem op een heel andere manier verdriet, dan al het