Niels Holgersson/XXIX
| ← Donsje | Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917) door Selma Lagerlof, vertaald door Margaretha Meijboom | Gorgo, de arend → |
| Uitgegeven in Amsterdam door H. J. W. Becht. |
XXIX.
STOCKHOLM.
Voor eenige jaren was er in de "Schans", den grooten tuin buiten Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht, een klein, oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar 't was 't meest 's middags, dat hij als speelman moest optreden; 's morgens zat hij gewoonlijk op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken van het land naar de Schans waren overgebracht.
Klement meende in 't begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder 't wacht houden. 't Ging nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk, dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden, hoewel hij zich met den dag ongelukkige voelde.
Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen, en Klement had hem vaak ontmoet.
De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.
"Je mag zien, wat ik heb, Klement," antwoordde de visscher toen. "als je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik ervoor vragen kan." [ 293 ]
Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek erin, en toen nog eens, en ging toen snel een stap achteruit.
"Wat ter wereld is dat, Asbjörn? Hoe heb je die daar te pakken gekregen?" vroeg hij.
Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren spreken van 't kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht niet schreeuwen en niet stout zijn, om 't kleine volkje niet boos te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van 't kleine volkje.
Er zat nog iets van de kinderangst in Klement, want hij voelde een rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de zaak heel ernstig op.
"Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?" vroeg hij.
"Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken," zei Asbjörn. "Hij is bij mij gekomen. Ik was van morgen vroeg uitgezeild, en had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken, toen ik een troep wilde ganzen in 't oog kreeg, die met vervaarlijk geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden, en viel in 't water, zóó dicht bij de boot, dat ik maar de hand had uit te steken om hem te pakken."
"Je hebt hem toch niet geschoten. Asbjörn?"
"O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was."
Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles wat hij als kind had gehoord van 't kleine volkje, van hun wraakzucht tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam weer bij hem boven. 't Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een van hen gevangen had willen houden.
"Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn." zei hij.
"Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen," zei de visscher. "Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen, en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen, maar 't heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels, die geen schot kruid waard zijn, kwamen neerstrijken op de klippen en bliezen; en als ik [ 294 ]uitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten, maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster, stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten zeker, dat hij daar in 't venster stond, want ze lieten me heengaan zonder me te vervolgen."
"Zegt hij niets?" vroeg Klement.
"Ja, in 't begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht."
"Maar Asbjörn," zei Klement. "Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?"
"Ik weet niet, wat hij is," zei Asbjörn kalm, "Dat moeten anderen maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem zou willen geven."
Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst geraakt ter wille van dat dwergje. 't Was hem precies, alsof zijn moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor 't kleine volkje wezen moest.
"Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn," zei hij.
"Maar als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven."
Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem had, en zoo'n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod van Klement aan.
De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken, liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen, waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in den mond.
"Luister nu naar wat ik zeg," zei Klement. "Ik weet wel, dat volkje als jij 't niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan. Wil je dat, knik dan driekeer met je hoofd."
Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde zich niet.
"Je zult het goed hebben," zei Klement. "Ik zal elken dag eten voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doen [ 295 ]zult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje moet je blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan."
Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar hij bewoog zich niet.
"Ja, dan zit er niets anders op," zei Klement, "dan dat ik je aan mijn baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje, en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken."
Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.
"Zie zoo, nu is 't in orde," zei Klement, nam zijn mes, en sneed het touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging hij haastig naar de deur.
De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om Klement Larsson te danken, was die al weg.
Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde, want hij bleef staan, en sprak hem aan.
"Goeden dag Klement," zei hij. "Hoe gaat het? Je ben toch niet ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben."
Er was zoo iets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer, dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met zijn verlangen naar huis.
"Wat?" zei de oude heer. "Verlang je naar huis, als je in Stockholm ben? Dat is toch niet mogelijk."
En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.
"Je weet zeker nog te weinig van Stockholm. Klement. Als je alles wist, zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meè, naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen."
Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.
Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen, hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waar [ 296 ]nu de stad op eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed in 't water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder die daar kwam, er graag wilde blijven.
Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met de hand, en de andere bleef op een afstand staan.
De deftige oude heer zei nu tegen Klement:
"Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm, en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de bekoring komen."
Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot, rood boek en een brief aan Klement.
Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij moest absoluut, naar huis, zei hij.
"Waarom? Kun je hier niet wennen?" zei de directeur.
"Ja, ik heb het hier best," zei Klement. "Ik heb nu geen heimwee meer. Maar ik moet toch naar huis!"
Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem, een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn heimwee te genezen.
't Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het thuis te vertellen?
Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij zou heel anders geacht en geërd worden.
En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest.