Naar inhoud springen

Niels Holgersson/XXXIV

Uit Wikisource
Een morgen in Angermanland Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917) door Selma Lagerlof, vertaald door Margaretha Meijboom

In Lapland

Bij de Laplanders
Uitgegeven in Amsterdam door H. J. W. Becht.
[ 329 ]

XXXIV.

IN LAPLAND.



Alleen al weer veilig op Gorgo's rug te zitten, na al den angst, dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze maakten nu ook een heel mooie reis. Tegen den morgen was de wind uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm, dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.

"Nu komen we in Lapland," had Gorgo gezegd, en de jongen had zich voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van had gehoord.

Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar af. De groote eentonigheid had hem op 't laatst zóó slaperig gemaakt, dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.

Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon zitten, en dat hij een poos slapen moest.

Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in 't mos neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwen om hem heen geslagen, en was weer met hem de lucht ingevlogen.

"Slaap jij maar, Duimelot," riep hij. "De zonneschijn houdt me wakker, en ik wil de reis voortzetten."

En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten; appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van de vruchten, en achter hen kwamen vol uitgegroeide [ 330 ]booneranken, groote witte margrieten, en een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken, eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg, fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien, witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.

Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende boomen, tamme en wilde dieren liepen om 't hardst, en daartusschen door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen, weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.

De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet, nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend hoofd, met haar van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van vroolijkheid en van goedheid glansde.

"Vooruit," riep ze onophoudelijk. "Niemand hoeft bang te wezen, als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!"

"Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen." zei de jongen in zichzelf. Maar de roggeaar, die naast hem liep, had die woorden gehoord, en antwoordde duidelijk: "Ze wil ons naar Lapland brengen, naar den grooten versteener."

De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden, langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag dat de groote beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen, en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, die kastanjes en de patrijzen.

Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen achterbleven. Toen mertke hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was, maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.

Hier begon de eik langzamer te loopen, en scheen vezwaren te hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen, en stond toen heelemaal stil.

"Waarom gaat de eik niet verder meê?" vroeg de jongen.

"Hij is bang voor den grooten versteener," zei een jonge lichte berk, die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.

Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds voor den stoet uit, lachte, en riep: "Vooruit, vooruit! niemand hoeft bang te wezen, zoolang ik erbij ben!" [ 331 ]

De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.

De jongen keerde zich naar de achterblijvers.

"Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den steek?" vroeg hij.

"We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in Lapmarken woont," antwoordden ze.

Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken, de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen, rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.

Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. 't Waren allerelei stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.

"Waarom hebben ze zoo'n haast?" vroeg hij.

"Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen woont," antwoordde een sneeuwhoen.

Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn, en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.

"Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik erbij ben!" riep de zon, en rolde de steile wanden van de bergen op.

Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk, de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier, de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.

De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed, en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen drie zwarte wolven, die opstonden, en den bek open[ 332 ]sperden, toen de zon zich vertoonde. En uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.

"Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn," dacht de jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten, maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.

De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer zoo erg. Maar op eens riep de zon: "Nu is mijn tijd uit!" en rolde achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los, en opeens vlogen de noorerstorm, de kou en de duisternis uit de kloof, en begonnen achter de zon aan te vliegen.

"Jaag ze weg! Drijf ze voort," riep de toovenaar. "Jaag ze zoover weg, dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!"

Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker werd. En toen hij tot zichzelf gekomen was, had hij gemerkt, dat hij op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe zou hij erachter komen, waar hij was?

Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.

"Dat is zeker zoo'n arendsnest als Gorgo..."

Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van 't hoofd, en zwaaide die in de lucht en riep: "Hoera!" Hij begreep, waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en alle reisgenooten weerzien.



DE AANKOMST.

De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. 't Was heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen, en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat de wilde ganzen nog niet wakker [ 333 ]waren. Hij had nog niet lang geloopen, of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. 't Was een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar 't was duidelijk, dat hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in geval van nood.

De jongen liep door, zonder hem te storen, en keek tusschen de kleine wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij en nieuw ganzenpaar in het oog. Zij hoorden niet tot zijn troep, 't waren vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën, alleen omdat hij wilde ganzen zag.

Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn, die daar lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.

Hij had zoo'n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen, en liep verder.

In 't volgende boschje, zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij, zonder ze wakker te maken.

Toen hij bij 't volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja, het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden, en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.

Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij ging verder.

Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond, maar toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.

"Goede morgen. Moeder Akka!" zei de jongen. "Dat is heerlijk, dat u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te maken, want ik wou u graag alleen spreken."

De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze zei niets, omdat hij haar had gevraagd de andere niet wakker te maken.

Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar gevangen gehouden. [ 334 ]

"Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor, gevangen zat in het vossenhol op de Schans," zei de jongen.

"En hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar vele goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond, dat er een man naar de Schans was gekomen om vossen te koopen. Hij kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid, waar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre, en zei tegen hem: "Morgen komen hier menschen om een paar vossen te halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen wordt, dan krijg je je vrijheid terug. En hij volgde mijn raad, en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan. Moeder Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?"

"Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan," zei de leidstergans.

"Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is," zei de jongen.

"Nu is er nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend, dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar de Schans werd gebracht, en in de arendskooi werd gezet. Hij zag er akelig en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist niet, of ik goed deed met zoo'n misdadiger los te laten, en ik meende, dat het misschien 't beste was hem te laten waar hij was. Wat vindt u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?"

"Neen, dat was niet goed," zei Akka. "Men mag zeggen wat men wil van de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je, wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra je bent uitgerust, een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden."

"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou. Moeder Akka," zei de jongen. "Er zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden."