Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 69/Nummer 98/Avondblad/Rendierteelt op de heide van Jutland
| ‘Rendierteelt op de heide van Jutland’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dinsdag 9 april 1912, Avondblad, B, p. 2. Publiek domein. |
Rendierteelt op de heide van Jutland.
Consul-generaal Rietbergen te Kopenhagen vestigt in het laatste nummer van handelsberichten de aandacht op de proef, welke in de laatste jaren in Denemarken genomen is, om rendieren uit Noorwegen te importeeren, teneinde de bewoners der groote heidestroken in Jutland een nieuwe bron van inkomsten te geven, en voordeel te trekken uit de groote hoeveelheden rendiermos en korstmos, die tot voor eenige jaren als onbruikbaar werden beschouwd. Wel worden in Denemarken, evenals in Nederland, de meer vruchtbare gedeelten der heide bebouwd, terwijl de minder vruchtbare bodem met sparren en dennen wordt beplanmt, doch men heeft groote stukken, die voor landbouw en voor reboisatie te onvruchtbaar waren, moeten laten liggen. Het is juist op deze stukken onvruchtbare heide, die voor niets anders bruikbaar zijn, dat nu een proef wordt genomen met rendieren. Het blijkt namelijk, dat op deze onvruchtbare heide het zoogenaamde rendiermos en korstmos, wat een zeer gezocht voedsel voor rendieren is, het weligst tiert. Een der hoofdvragen, die het eerst in aanmerking kwam, was, in hoeverre het betrekkelijk zachte klimaat in Denemarken een hinderpaal zou opleveren voor den invoer von rendieren, die uit de noordelijkste gedeelten von Noorwegen waren geïmporteerd. Dit punt is zeer bevredigend beantwoord, daar de genomen proef bewezen heeft, dat de ingevoerde rendieren het kilmaat in Denemarken zeer goed verdragen. De heide in Jutland, hoewel te schraal voor andere dieren, levert genoeg voedsel op voor het rendier. Wanneer men het vrij laat rondloopen is een oppervlakte van 25 H. A. land groot genoeg voor ongeveer 15 rendieren en deze kudde kan jaarlijks ongeveer f375 opbrengen. De prijs van een rendier is thans f100, doch wordt natuurlijk belangrijk minder, wanneer het proefstation in Jutland kalveren kan gaan laveren. Het vleesch is zeer smakelijk en goedkooper dan rundvleesch. Het wordt in Denemarken tegen den gemiddelden prijs van 50 cts per pond verkocht. Het gewei, dat ieder jaar afvalt, wordt in Duitschland voor f10 verkocht. In den ruitijd verharen de dieren 2 à 4 keer en het haar wordt tegen 2 à 3 gulden per dier verkocht. De rendierhuid wordt drie à vier keer zoo hoog betaald als een schapevel. Een lam, in het voorjaar geboren, kan in het najaar voor f25 verkocht worden, zonder dat eenige noemenswaardige onkosten aan voedsel zijn besteed. Hoewel het rendier vette melk geeft, is de hoeveelheid zeer gering: in Jutland worden de dieren dan ook niet, zooals in Noorwegen het geval is, gemolken.
Aangemoedigd door het slagen der proefneming in Jutland, heeft men in Duitschland het plan opgevat, op de Lüneburger heide ook proeven te nemen, en de kans van slagen is ook in Nederland, waar het klimaat en de gesteldheid des bodems zoo zeer met de Deensche overeenkomen, naar de meening van consul Rietbergen, niet uitgesloten. Het schijnt echter vooralsnog raadzaam te zijn, verdere resultaten van het proefstation in Jutland af te wachten, alvoren proeven in andere landen te nemen. Wel is het gebleken, dat het rendier met succes in Jutland kon worden ingovoerd, doch het betrekkelijk nog jonge proefstation te Frederiks in Jutland kan, hoewel van verscheidene zijden aanvragen voor den verkoop van jonge kalveren zijn ingekomen, nog geen resultaten voor de heidebewoners aanwijzen, en ook kan nog niet worden gezegd, of ook de nakomelingen der geïmporteerde dieren hun goede eigenschappen zullen behouden, of in het tweede en derde geslacht zullen degenereeren.