Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 73/Nummer 300/Avondblad/E. J. v. Wisselingh
| ‘E. J. v. Wisselingh. (Slot.) Gebouw Panorama Mesdag’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant, donderdag 26 oktober 1916, Avondblad, A, p. 1. Publiek domein. |
E. J. v. Wisselingh.
(Slot.)
Men schrijft ons uit Dean Haag:
De schilder Bastert, die in zijn groote schildeijen zoo afgemeten en koud kan zijn, is hier met een viertal kleine werkjes vertegenwoordigd, die de herfststemming op ’t land gevoelvol vertolken. Zijn groote werken zouden het, gelooven wij, in het omringende gezelschap niet uithouden, met deze kleine, stemmigsvolle en zuivere tafreeltjes gaat dat best. De kinderen aan ’t strand van Akkeringa, het stationsplein van de Zwart van zulk een sonoren klank, houden het naast de grootsche Breitner zeer goed uit; zij wekken zelfs zeer duidelijk de aandacht, wat op zichzelf, den machtigen nabuur in ’t oog gehouden, eigenlijk de allergrootste lof is dien men hun kan uitdeelen. Bij de van Wisselingh-collectie zijn eenige ongemeene werkjes. Een Hervier, die een dorp in schrille lichtwerking weergeeft en een aquarel van Jongkind: Antwerpen, frlsch en gul geaquarelleerd, modern als ontstond ze in deze dagen. Spraken we al van den somber schoonen Willem Roelofs met zijn groot gevoel in de landschaplijnen? Eenige van Goyens hooren in dit milieu te huis. Er is van te genieten, zelfs zonder de bekoring mee te tellen, die van een oud schilderij uitgaat, modern als ze ook al zijn in hun loutere, natuurvertolking. Van Goyen, Jongkind, Roelofs en Gabriel, vier meesters uit verschillende eeuwen of eeuwgedeelten en met zooveel overeenkomstig in hun natuuraanschouwing!
Gabriels talent is vertegenwoordigd met den statigen eenvoud zijner teekeningen en met die rijpe, bestorven schilderijen, die even oprecht van kleuruiting als ongewild en rechtaf argeloos, van visie zijn. Doch argeloosheid veronderstelt kinderlijkheid en Gabrel is daarvoor te snedig, te natuurlijk-bewust van de waaarde die de zuiverheid bezit. Zijn zien der natuur is tegenover dat van een Bauer te stellen, die in de nuchture waarheid geen poezie kan ontdekken doch droomen behoeft of, zoo het droomen aan de werkelijkheid ontleend zijn, dan toch met een feëerieke allure. In de boogschutters van Bauer is de meester in zijn element: een landschap van steile lei-blauwe rotsen schiep hij, temidden waarvan bergbewoners met pijl en boog elkaar bevechten. Hebben deze menschen ooit bestaan? We meenen hen veilig voor een fantasie van Bauer te mogen aanzien. Niettemin is deze droom als een werkelijkheid gebeeldhouwd: de reeële onwezenlijkheid van een Arthur van Schendel. Want wijd is de wereld in dit door bergen begrensde landschap: uitgestrekt en de levendig in actie zijnde mensch, zoo nietig in het landschap, is hevig in zich zelf. Hier is het wijde gevoel uitgedrukt, ’t welk een sprookje in zijn uitbeelding noodig heeft: een wereld waarin een andere wereld beweegt. De menschen, zijn zoo klein tusschen de grimmige reuzen, die dommelende rotsen zijn, doch zij meenen zichzelf de wereld alleen!