Naar inhoud springen

Nieuwe Rotterdamsche Courant/Jaargang 82/Nummer 182/Avondblad/Tijdschriften

Uit Wikisource
‘Tijdschriften’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant, vrijdag 3 juli 1925, Avondblad, C, p. 1. Publiek domein.
[ Avondblad, C, 1 ]

Tijdschriften.

De Gids herdenkt Hugo de Groot met opstellen van Prof. Dr. J. Huizinga en van Cath. Bruining.
De heer Huizinga teekent De Groot en zijn eeuw: die zeventiende met orgelklank, moeilijker dan welke ook te begrijpen; en in dien tijd dan Huig de Groot.

Ook hem kennen wij sinds onze kinderjaren: het wonderkind, de latijnsche dichter, de rechtsgeleerde, de hoop van Nederland. — De Arminiaan, de gevangene van Loevestein, de man van Maria, de balling, de schrijver, de gezant. Misschien behoeft ons jeugdbeeld in dit geval in zijn grondlijnen niet veeel verandering, enkel wat vulling. Scaliger zag goed, toen hij in den jongeling voorspelde: „een voorzichtig staatsman, een voortreffelijk rechtsgeleerde, een zedig heer”. Maar nog beter zag Jan van der Does, toen hij den elfjarigen knaap reeds bij zijn komst aan de Leidsche hoogeschool in een latijnsche ode met Erasmus vergeleek. De geestelijke verwantschap van Hugo de Groot met Erasmus is voor het begrijpen van zijn figuur van zeer veel gewicht. Het is niet enkel verwantschap van geest, maar ook invloed en voorbeeld. Hugo zelf heeft die betrekking innig gevoeld. Men herinnere zich, hoe hij, in October 1631 zijn poging wagende om in Holland terug te keeren, te Rotterdam aangekomen, allereerst uitgaat om het metalen standbeeld van Erasmus te bezichtigen, dat daar in 1622 het oudere steenen beeld vervangen had. In de bitterheid der ballingschap tracht Hugo, — met wel veel meer heimwee naar Holland dan Erasmus ooit gevoeld had —, zich over ondankbaarheid en miskenning te troosten met de gedachte, dat Holland ook Erasmus heeft miskend. Of wel hij merkt op, dat een theologische grief, hem door Cloppenburg voorgehouden, ook aan Erasmus is gemaakt.
Er is ook wel eenige verwantschap van karakter tusschen beiden. Geboren martelaar was Hugo evenmin als Erasmus; zijn krachtigste daden gaf zijn vrouw hem in. Och had ook Erasmus een Maria van Reigersberg aan zijn zijde kunnen hebben! Het is geen toeval, dat Fruin zoowel jegens De Groot als jegens Erasmus in zijn oordeel iets te streng is. Hun beider zwakheden liggen tendeele op hetzelfde terrein; ja, maar Fruin verstaat hun karakter niet ten volle, omdat hij hun geest niet ten volle waardeert. Fruin’s eigen geest, hoe diep en ruim, was ten slotte weinig vatbaar voor de geestdrift van de Renaissance en het Humanisme. Hij zag bij Erasmus en bij De Groot hun gezicht op de wereld niet. En bij beiden is het in zekeren zin de hoogheid van hun wereldbeschouwing en de zuiverheid van hun geest, die hen als mensch verheft.
....Over de beteekenis van het werk, dat de aanleiding is van onze herdenking, wil ik hier niet spreken. Genoeg anderen, hebben het beter gedaan dan ik het zou kunnen. Doch zijn bouw, zijn vorm willen wij een oogenblik beschouwen. De Groot trekt zijn lijnen, gelijk hij zelf zegt, zooals de wiskunstenaar figuren teekent. De grondbegrippen staan strak en welomlijnd; zij zijn hecht en eenvoudig, zware steenen voor den bouwer. Voortdurend en overal staan de antieke autoriteiten en bewijsplaatsen tot steun gereed. Hoe goed weet hij ze te scharen! Welk een evenwicht en regelmaat. De functie van het antieke gegeven is hier te vergelijken met die, welke het in de bouwkunst van den tijd uitoefent, maar zij is misschien nog essentieeler, minder uitsluitend decoratief. Indien De Groot steeds werkt met voorbeelden uit de Oudheid, om leering te geven voor het heden, dan is het niet alleen diplomatieke voorzichtigheid, die hem daartoe beweegt, noch ook louter aesthetische voorkeur. Het Oude representeert als ’t ware al wat later kwam of nog komen zou, in een zin die niet heel veel verschilt van dien der betrekkingen tusschen het Oude Testament en het Nieuwe. De aanwezigheid van een klassiek voorbeeld heft, om zoo te zeggen, de bijzonderheden van recenter gevallen in een algemeene eenheid op. Het beeld der historie subintreert voor de onmiddellijke werkelijkheid. Om Zweden te eeren, schrijft De Groot de Historia Gotthorum. Vandalorum et Langobardorum, want die Goten zijn Zweden’s praefiguratie, hun roem is die van Zweden. Om het vaderland te eeren had hij in zijn jongelingsjaren het Parellelon Rerumpublicarum geschreven, de vergelijking van het Atheensche, het Romeinsche en het Bataafsche gemeenebest. Het antieke voorbeeld gaf aan het staatsbegrip iets eenvoudigs; de voorstelling van den staat reduceerde zich tot tastbaarheid van die oude vormen. En inderdaad is de convergentie tusschen den antieken staat en den westeuropeeschen wellicht nooit grooter geweest dan in de zeventiende eeuw, toen de staten door hun nationaal beginsel dichter naderden tot die der Oudheid dan in de Middeleeuwen, en door hun zelfgenoegzaamheid meer dan in den jongsten tijd.
De iure belli ac pacis, als kunstwerk beschouwd, staat zeer dicht bij het Amsterdamsche Raadhuis. Indien er eenige grond was, om de zeventiende eeuw te scheiden naar twee aspecten, dan behoeft thans niet meer te worden gevraagd, aan welke van beide kanten Grotius staat. Hij hoort niet bij Breeroo, Van Goyen en Jan Steen, maar bij Vondel, Sweelinck en Van Campen, bij de polyphonie en het klassicisme, bij den strengen vorm en het auguste ideaal.

Gedichten in De Gids dragen Karel van de Woestijne en H. van Elro bij, de eerste „Verzen aan zee en in tuin”.
Hierop volgen het Ve stuk van den roman der Scharten’s en het slot van Prof. Jolles’ studie Een oude roman.


Het Orgaan van de Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst opent met een in memoriam Mr. M. I. Duparc, in rouwrand gedrukt. Het bestuur schrijft:

.... „Onze vereeniging heeft hem veel te danken: in plaats van een opsomming dit getuigenis: van de talrijke keeren, dal wij met hem besprekingen hadden, was er geen, dat we niet met voldoening en erkentelijkheid het departementsgebouw verlieten. Maar behalve op deze zakelijke wijze, had hij groote verdienste jegens de kunst, en niet het minst jegens onze nieuwe kunst, door de wijze waarop hij in het openbaar van zijn medeleven met hare beoefenaren en van zijn sympathie voor haar deed blijken: door zijn officieele optreden bevorderde hij haar aanzien in een bepaald gedeelte der samenleving, dat nog te weinig van de ook maatschappelijk hooge functie der kunst was overtuigd. Het was vooral Parijs, dat in den laatsten tijd aan dit deel van zijn werkzaamheid de zwaarste eischen stelde. Hij slaagde volkomen, maar het werd zijn laatste daad. Het ontstellende bericht uit die stad kon daardoor voor velen voor goed een floers leggen op den glans, die anders van ons optreden daar zou zijn uitgegaan. Doch slechts voor een oppervlakkige waarneming. De Dood, dese groote transformator, heeft zijn optreden, heeft zijne toespraken daar, tot een hoogere orde verheven. En dan denken wij vooral aan de woorden, die hij in de laatste zijner reden tegenover de hoogste gasten uit de Fransche Republiek, de Nederlandsche waardigheid-bekleeders, en, door de pers, tot ieder in Nederland heeft gesproken: van onze afdeeling bewonderde hij de samenwerking van architectuur en toegepaste kunst; hij achtte het den plicht der regeeringen stijlnabootsingen te verbieden en de nieuwe concepties te steunen, opdat zij over vooroordeel en miskenning zouden zegevieren. Haar overwinning stond voor hem vast. Zijn verscheiden na deze woorden, na deze gelofte, schijnt een tragisch verloop, en maakt hun inhoud schijnbaar tot een welhaast ijdelen klank, nu de kracht, die ze uitte en die ze tot werkelijkheid zou maken, is heengegaan. Wij zien het anders. Voor ons heeft zijn dood aan deze woorden, uit zulk edel enthousiasme geboren, als het ware een profetische beteekenis gegeven: hij heeft hun inhoud tot een hoogere werkelijkheid gebracht: grondleggend voor de toekomst en richting gevend voor wie na hem komen.
Met de gedachte hieraan hebben wij bij zijn uitvaart dankbaar en eerbiedig afscheid genomen van dezen nobelen geest.”

Het orgaan doet mededeeling van den uitslag der referenda ter vervulling van bestuursvacatures der V. A. N. K. Bij het eerste referendum zijn gekozen mej. Jo de Jong en de heeren N. P. de Koo, J. van Krimpen en S. van Ravesteyn, die de benoeming hebben aanvaard. Bij het tweede referendum is in het bestuur gekozen (vacature-Jongert) de heer H. van Anrooy; in de redactie van het Jaarboek is gekozen de heer J. van Krimpen.