Naar inhoud springen

Ordinaris Dingsdaeghse Courante/1650/Nummer 43/Cromwels Antwoort

Uit Wikisource
‘Cromwels Antwoort, aen den Gouverneur van ’t Casteel van Edenburg, op de Presentatie aen de Predikanten aldaer gedaen, van den 19 September’ door O. Cromwel
Afkomstig uit de Ordinaris Dingsdaegsche Courante, 18 oktober 1650, [p. 1]. Publiek domein.
[ 1 ]

Cromwels Antwoort, aen den Gouverneur van ’t Casteel van Edenburg, op de Presentatie aen de Predikanten aldaer gedaen, van den 19 September.

DIe Presentatie aen de Predikanten, die by u sijn gedaen, is uyt oprechtigheyt geschiet, denckende het met gelijcken ghemoet soude aenghenomen worden: maer ick moet u seggen: Dat indien hun Meesters dienst hun meeste beooginge ware, sulcken inbeeldinghe van lijden hun niet veroorsaeckt souden hebben, sulcken antwoort te gheven; ende veel min soude die Practyck ende handel van d’onse met de Dienaers Christi in Engelant, voor een bewijs verstrecken van personeele vervolginge. De Dienaers Christi ofte Predikanten in Engelant, hebben vryheyt het Euangelium te prediken, al hoewel niet te lasteren, ende onder het deck-mantel van’t Euangely de wereltlijcke macht te verheffen ofte te verkleynen, als ’t hun gelieft: Niemandt in Engeland oft Yrlandt isser gemolesteert gheweest wegens het prediken des Euangeliums, noch oock en is in Schotlant, sedert de comste van onse Armé, eenigh Predikant getravailjeert geweest: het spreken van waerheyt betaemt den Dienaren Christi wel: maer Predikers die een glorieuse Reformatie voorwenden ende tot een grond-legginge van dien, hun wereltlijcke macht aen nemen ende tot verkryginghe der selve een wereltse mixtute maken gelijck in dat Iongste verdrach met hun Coninck op hope door hem tot hun beooginge te sullen komen, die moeten weten, dat de beloofde Sion, daer soo nae verlanght wordt, met sulcken ongetemperden Kalck niet opgebouwt wil werden. Ende wat aengaet d’ ongerechtige Invasie, daer sy van seggen; de tijdt is geweest, datter een Schotse Armé in Engelandt quam, niet geroepen door d’opperste macht. Wy hebben in onse uytgegevene Schriften geleght, met wat herten ende op wat voet wy gekomen zijn; ende de Heere heeft ons verhoort, al hoewel ghy ons niet hooren wildet op soo een solenneel Appel ofte beroep, als oyt gheschiet mach sijn: Ende al hoewel sy hun schynen te troosten, met te wesen Soonen Iacobs van welcken God voor den tijdt sijn aenschijn verborgen heeft, lijcke wel en is ’t geen wonder, dat nadien Godt soo mercklijck sijn handt teghens een Familie verheven heeft, gelijck hy soo dickmaels tegens dese gedaen heeft, ende men het lijckewel niet sien en wil, dat hy dan van soodanigen sijn aengesicht verberght; hun te schande makende, soo daerom als oock om de haet dien sy sijn volck sijn toedragende, gelijck op desen dach is blijckende. Wanneer sy hun vertrouwen louterlijck op den sweert des Geests welck is het Woordt Gods sullen stellen: als welcke alleen krachtigh is tot nederwerpinge der sterckten ende aller overlegginge ende hoochte die haer verheffende is; ende alleen bequaem is, om de steenen tot den nieuwen Ierusalem te bereyden; als dan ende niet eer, ende door die middel ende geen ander sal Ierusalem (welckeis een roem der gantsche werelt) de Stadt des Heere, de Sion des Heyligen in Israël gebouwt werden, meer hebbe ick niet te seggen, als verblyve.

U ootmoedige Dienaer O Cromwel.