Pagina:Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden - Eerste deel.pdf/186

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
5
AA.

den wordt, behalve in tijden van langdurige droogte, in den zomer zelden eenen dag behoeft stil te staan.

 AA (BAKELSCHE) of Vlier, riv. in de Meijerij van 's Hertogenbosch, kw. Peelland, prov. Noord-Braband, dat onder de gemeente Deurne en Liessel uit de Peel voortkomt, tusschen Deurne en Bakel westwaarts aanstroomt, en zich, na de Kawijsche Loop en de Oude Aa of Raaksche Loop opgenomen te hebben, bij het Guldenhuis te Rixtel, met de Aa of Ade vereenigt. Zij wordt ook wel eens, vooral beneden Schaapstal, eene buurt onder Bakel en Milheze, waar zij voorheen eenen oliemolen dreef, de Schaapstalsche Aa genoemd.

 AA (BLOKZIJLER), riv. in Overijssel. Zie Aa (Steenwijker).

 AA (DRENTSCHE), riv. Drenthe en Groningen. Zie Aa, of Aha, ook wel Drentsche Aa.

 AA (FIVEL) of Fimel Aa, doch doorgaans enkel de Fivel genoemd, riv. in Groningen, die oudtijds haren oorsprong had in de hooge zuidelijke veenen van Duirswold, van waar zij noordwaarts stroomde tot Wittewierum. Aldaar verdeelde zij zich in twee takken, welker noordelijkste en tevens voornaamste, langs Wester Emden uitliep in eenen zeeboezem, die toen bezuiden het Zand en Garshuizen zoover landwaarts indrong; maar de andere tak nam den loop naar Appingadam, en loosde, op de hoogte van Delfzijl, de wateren in den mond van de Eems. Dan omtrent het jaar 1238 stopte een zware storm den noordelijken inham, en vulde dien geheel met slijk. Dit deed Wester Emden, voorheen eene vermaarde zeeplaats, merkelijk vervallen, en daartegen Appingadam waar nu alleen de uitloop der Fivel-Aa overbleef, in vermogen rijzen. Sedert het graven, in het laatst der zestiende eeuw, van het tegenwoordige Damsterdiep, loopende van Groningen naar Delfzijl, verloor de Fivel, welke een gedeelte van dat diep uitmaakte, geheel haren vorigen naam. Ook zijn de sporen van haar vorig noordelijk bed thans zoo onduidelijk en weinig beduidend, dat zij niet meer, als rivier kan opgeteld worden. Het voormalig kwartier Fivelgo ontleende van deze rivier zijnen naam.

 AA (GROOTE), gracht te Zwolle, prov. Overijssel, die haar water aan de Oostzijde door eene waterpoort, gemeen met de Kleine Aa, uit de vest ontvangt, en, na de stad doorstroomd te hebben, zich aan de Westzijde, bij de Vischmarkt, in de vest of het Zwarte Water ontlast.

 AA (HAVELTER), riv. in Drenthe, die, een weinig ten O. van het dorp Beilen, uit eenen zamenloop van verscheiden beekjes ontstaat, vervolgens tot omtrent Dwingelo westvaarts afloopt, van waar zij, zich meer zuidwaarts wendende, op eenen kleinen afstand, langs Havelte loopt, en, hier en daar eenigen toevoer van water bekomen hebbende, eene menigte graslanden, ter wederzijde van haren stroom, besproeit; tot dat zij, een weinig ten N. van Meppel, de Wold-Aa ontvangt, met welke zij door die stad heen stroomt, om zich, een weinig lager, al spoedig te vereenigen met de Reest en met deze de meer belangrijke rivier, het zoogenaamde Meppelerdiep, daar te stellen. Zij was voorheen, tot bij Dwingelo, voor pramen bevaarbaar. Nu is zij het voorname voedingsmiddel voor de in het laatst der vorige eeuw gegravene Smildervaart, die, door het reeds genoemde Meppelerdiep en het Zwarte water, de hoofdstad en het voornaamste gedeelte der provincie Drenthe met de Zuiderzee in verbinding stelt.

 AA (HOOGEN), onder dezen naam komt het, geh. Hooge Aarle, prov Noord-Braband gemeenlijk voor. Zie Aarle (Hooge).

 AA (HUNSE), riv. in Drenthe en Groningen. Zie Hunse.