Pagina:Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden - Eerste deel.pdf/31

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
2
ALGEMEEN OVERZIGT.

tegenwoordige Duitschland, welks oppervlakte veel hooger ligt, begrijpt, waardoor dan ook nog bij ons de taal onzer oostelijke naburen veelal de Hoogduitsche en de onze de Nederduitsche genoemd wordt. Bilderdijk echter beweert, op niet geheel verwerpelijke gronden, dat deze streken de Nederlanden genoemd zijn, als deel van het Rijk van Lotharingen[1]. Ons komt het voor, dat beide te gelijk kan waar zijn: dat men namelijk deze gewesten, zoo wel in tegenstelling van het hooger gelegen gedeelte van Duitschland, als in tegenstelling van de meer bergachtige streken van Lotharingen, de Nederlanden kan genoemd hebben.

Men noemt deze landen in het Latijn Belgium of Belgia, maar dit woord heeft bij de ouden nooit Nederland of de Nederlanden beteekend. De Romeinen toch verdeelden Gallië, dat zich van Italië af tot hiertoe uitstrekte, in drie voorname deden, waarvan het noordelijkste Belgisch-Gallië heette. De Belgen waren dus Galliërs, welke men bij Ptolomeus ook in Brittannië vindt, doch naderhand heeft men, met weglating van het woord Gallië, alleen den naam van België behouden, en dien op het grootste gedeelte van de zeventien Nederlandsche gewesten toegepast. Er is in de oudste tijden nimmer aan gedacht, om deze landen onder eenen algemeenen naam te begrijpen; maar elk gedeelte werd genoemd naar het volk, dat het bewoonde. Onder het Germania Inferior of Neder-Duitschland behoorde evenwel mede ons Vaderland.


OUDE BEWONERS DEZER LANDEN.

De oude bewoners dezer gewesten waren op onderscheidene tijden herwaarts afgezakt, en hebben zich aldaar onder verschillende namen nedergeslagen; onder hen vindt men de volgende vermeld: de Friezen, de Batavieren of Batten, de Kaninefaten, de Marezaten, de Frisiabonen, de Kauchen, de Menapiers, de Ambivariten, de Brukteren, de Tenkteren, de Tubanten, de Usipeten, de Morinen en de Angrivariën.


LEVENSWIJZE DER OUDE BEWONERS DEZER LANDEN.

De levenswijze dezer volken was, met eenige geringe wijzigingen, bijna dezelfde. Zij waren zeer sterk van ligchaam, leefden van de jagt op wilde dieren, gingen in hunne jeugd geheel naakt en kleedden zich, ouder geworden zijnde, met beestenvellen, die, bij wijze van mantel over hunne schouders hingen en met eene gesp of eenen doorn om den hals vastgemaakt waren, terwijl de huid van den kop dezer dieren soms derwijze over hun hoofd getrokken was, dat zij door de ooggaten uitzagen. Zij woonden in hutten, van hout opgeslagen, met biezen, riet of stroo gedekt, en waarvan de wanden met leem en koemest besmeerd waren. Deze hutten stonden niet digt bijeen, maar hier en daar verspreid en meestal op opgeworpen hoogten, terpen of torpen (van welk woord ons tegenwoordig woord dorp afstamt), en in lateren tijd Vlie- of Vliedbergen geheeten, ten einde zich, bij gebrek aan dijken, daardoor te beveiligen tegen den vloed, en vooral tegen de overstroomingen, waaraan deze landen zeer onderhevig waren.

  1. Zie 's mans Geschiedenis des Vaderlands, D. I., bl. 165.