Pagina:Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden - Eerste deel.pdf/32

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
3
ALGEMEEN OVERZIGT.

de reden en levenswijze van die onbeschaafde menschen konden niet anders dan wild en woest zijn. Zij waren echter getrouw, openhartig, herbergzaam en kuisch, wordende hoererij en overspel zeer door hen verfoeid; maar tot den drank waren zij zeer genegen.

De bezigheid van den landbouw was voor hen een te lastig en te moeijelijk werk, aangezien, bij de geringe kennis, die zij daarvan hadden, hunne landen door het zeewater overstroomd werden, terwijl ook alles voor het indringen van het vee en het wild open lag; waarom zij zich, ofschoon van den landbouw geheel niet vreemd, echter meer op de jagt en de visscherij toelegden, die hun veel voordeel aanbragten, aangezien het land zeer boschrijk en vol wild, gelijk ook de wateren rijk aan visch waren. Ook hadden zij schapen, runderen en paarden.

Hun voedsel bestond, behalve in het wild en de visch, die zij door de jagt en de visscherij opdeden, in boomvruchten, melk, boter en kaas; tot drank hadden zij eene soort van bier, dat zij uit koorn bereidden door het met water te koken.

Zij konden lezen noch schrijven, maar hunne Barden vervaardigden gezangen, die zij in hunne vergaderingen en bij feesten zongen, en de geschiedenis van hun land of den lof hunner helden ten onderwerp hadden.


WIJZE VAN OORLOG VOEREN EN REGERINGSVORM.

In het vechten en paardrijden waren zij zeer ervaren, en in het zwemmen zoo bedreven, dat zij zelfs de breedste rivieren gewapend en te paard durfden overzwemmen. Hunne behendigheid in het schieten met pijl en boog was bewonderenswaardig, want men verhaalt van eenen Batavier, dat hij den pijl, die hij eerst zelf afgeschoten had, terwijl deze nog in de lucht vloog, met eenen anderen pijl doorkliefde.

Zij waren krijgshaftig en dapper, en gebruikten tot hunne wapenen bogen, pijlen en eene soort van speren, frameën geheeten, waarmede zij van verre en van nabij konden vechten. De ruiters droegen eene framée en een langwerpig vierkantig schild van teenen gevlochten; het voetvolk, waarin hunne meeste kracht bestond, was insgelijks met werpschichten gewapend. Ook gebruikten zij groote vierkantige schilden van hout gemaakt, waarop afbeeldingen van beesten en vogels waren geschilderd. De vrouwen en kinderen gingen mede ten oorlog, en moedigden de mannen aan, om voor hunne vrijheid en huisgezinnen dapper te strijden en naar de overwinning te streven.

Eer zij ten strijde togen, werd een uit de voornaamsten van het volk gekozen, om, onder den titel van Koning of Hertog, het leger aan te voeren en regt te oefenen. Deze behield zijne waardigheid somtijds maar één jaar of zoo lang de krijgstogt duurde, somtijds langer en voor zijn geheele leven. Zijne magt was niet onbepaald, want, als hij de vergaderingen der voornaamsten bijwoonde, mogt hij wel raad geven, maar niet gebieden.

Het schijnt, dat zij, nevens deze Koningen of Hertogen, ook nog krijgsoversten hadden, die om hunne dapperheid werden verkozen. Bij de verkiezing van een opperhoofd, werd deze op een schild gezet en daarmede op de schouders hunner verkiezeren om hoog geheven.

Nog hadden zij eene mindere soort van krijgsbevelhebbers, die tevens Hoofdregters of Opperhoofden over de bijzondere landstreken waren; deze spraken het regt uit in de bijzondere zamenwoningen en gehuchten. Zij wezen het volk jaarlijks landerijen aan, om te bezaaijen,