Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/158

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 134 —

hierin bevatte lenzen schijnt nog vrij lang zijn gezigt meer voor nabijzijnde voorwerpen te beperken, en de onbewegelijkheid zijner oogappels gedurende de eerste dagen, en het hier dikwijls nog tusschen gespannen vliesje, schijnen zijn gezigt nog eenigzins te verduisteren; hij verheugt zich in het licht, maar ziet nog niet, dat is, neemt nog niet waar.

Hij volgt eerst het licht, daarna lichtende voorwerpen en hunne beweging, en spoedig beginnen deze herhaalde indrukken eene eigene werkzaamheid van den geest op te wekken, die, hierdoor als uit zijnen slaap ontwaakt, zijne eigene werking begint te toonen; het licht maakt hem reeds eenen aangenamen indruk, en spoedig geeft hij in het donker zijn ongeduld te kennen; door de gedurige herhaling begint hij in de eerste maanden tot eene zekere erkenning der voorwerpen te geraken; het vreemde schijnt hem eenig genoegen te geven, en het eerste onwillekeurige lachje om zijnen tederen mond brengt in de tweede of derde maand reeds zijne bespiedende moeder in verrukking over de snelle ontwikkeling van haren lieveling. In de derde maand drukt hij zijn welgevallen of onlust reeds duidelijk uit. Hiermede neemt het geheugen en de vatbaarheid om indrukken te verbinden toe. Vroeger liet hij bij het gevoel van honger zoo lang zijne stem hooren, tot dat hij, aan de borst gelegd, zijne bevrediging vond in het zuigen; op de derde maand wordt hij doorgaans reeds stil, zoo spoedig hij om te zuigen wordt opgenomen; hij weet nu al door herhaalde ondervinding, dat het voldoen aan zijne behoefte weldra volgen zal; nog een weinig later, en hij ontdekt de gevolgen van zijn schreeuwen, en doet dit nu opzettelijk om iets te verkrijgen. Zoo begint zich eene eigene werkzaamheid van den geest te ontwikkelen, zijn geheugen wordt sterker, en zijnen wil geeft hij te kennen. Indedaad eene merkwaardige verschijning; staan wij hierbij eenige oogenblikken stil. Men zegt: ziel en ligchaam zijn één, of ziel is niets anders dan hersen- of zenuwkracht; maar toont ons dit de Natuur, als wij haar onbevooroordeeld waarnemen? Wij kennen geen zenuw- of hersendeel, of het werkt alleen en bepaald op dezelfde wijze op eenen ontvangen indruk terug, maar niet uit zich zelven. Hier zien