Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/192

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 168 —

bergen zich in enge zeebogten, waarin deze groote zeedieren niet durven doordringen.

Ziet hier de middelen, waarvan de natuur zich bedient, om de al te groote vermenigvuldiging der haringen te keer te gaan, en de soort binnen zekere bepaalde grenzen te bewaren. Wij hebben reeds gezien dat de haringen zelve tot die beperking medewerken, en dat vele eijeren niet tot ontwikkeling komen, daar zij den haringen zelve tot voedsel verstrekken. Voegt hier bij het groot aantal dat door den mensch gevangen en tot spijs gebezigd wordt.

Wij zijn alzoo gekomen tot de beschouwing der haringvisscherij. Vischvangst is hoofdzakelijk slechts van geschiedkundig en staatkundig belang, waar zij betrekking heeft tot in de zee levende soorten, en tot eenen tak van handel met andere volken geeft zij dan alleen aanleiding, als de mensch eene toebereiding heeft uitgevonden, waardoor de visch voor verderf bewaard en tot verre verzending geschikt gemaakt wordt. Gedroogd, ingezouten of gerookt, wordt de visch geschikt om maanden lang bewaard te blijven en tot ver afgelegene gewesten verzonden te worden.

Hetgeen een volk voor eigen gebruik van het land, waarop het gevestigd is, inoogst, kan evenmin als hetgeen het uit de zee, die zijn vaderland omspoelt, tot voedsel vangt, een grooteren nationalen voorspoed, meerderen rijkdom of politiek gewigt veroorzaken. Het is slechts ontwikkeling van hetgeen wij reeds op den laagsten trap der menschelijke maatschappij, in de kindschheid onzes geslachts, of bij onbeschaafde volken aantreffen. Wij behoeven dan ook bij de eerste beginsels der haringvisscherij niet stil te staan, voor zoo ver die vangst alleen tot vervulling van de behoeften van de landzaten strekte. In het noorden bestond de haringvangst langs de kusten zeker reeds vóór alle geschiedkundige aanteekeningen, en verliest zich met haren oorsprong in den nacht der oudheid. Men vindt in de Duitsche jaarboeken vermeld, dat er zich in het jaar 960, toen er eene groote schaarste heerschte op de kusten van Noorwegen, talrijke scholen van haringen vertoonden, welke de inwoners voor hongersnood beveiligden. In diezelfde tiende eeuw had reeds langs de Noorweegsche kust haringvangst gedurende de lente plaats. Bij de En-