Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/211

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 187 —

van twee tot drie palmen op de hoogte onzer oogen, regt voor ons, doch het liefst zoo, dat een der hoeken naar ons toegekeerd zij. Houden wij daarbij het hoofd onbewegelijk, en sluiten we nu beurtelings het regter en het linker oog, dan hebben wij geene bijzondere oplettendheid noodig, om te bemerken, dat wij met het regter oog meer van den regter rand van dat kistje zien dan van den linker, en dat het omgekeerde plaats heeft, als wij het regter oog sluiten en het linker openen. Er is dus wel degelijk verschil tusschen hetgeen wij van een ligchamelijk voorwerp met elk der beide oogen zien. Herhalen wij deze proefneming met eene platte vlakte waar wij tegen aan zien, met een naauwkeurige afbeelding van het zelfde kistje b.v., dan bemerken wij van dit verschil niets, en geen wonder. Dit verschil nu, zoo als wij het in onze eerste proefneming waarnamen, en dat bij het beschouwen van elk verheven voorwerp in meerdere of mindere mate steeds moet bestaan, is voor ons, onbewust door de ondervinding geleid, het kenmerk, waaraan wij de ligchamelijkheid der voorwerpen herkennen,—waardoor wij eene afteekening, al is die ook nog zoo getrouw, dadelijk kunnen onderscheiden van het afgebeelde voorwerp zelf.

Het is natuurlijk, dat dit verschil al minder en minder wordt, naarmate de voorwerpen verder van ons verwijderd zijn, en wij behoeven ons kistje slechts op dubbelen of driedubbelen afstand te plaatsen en dan de proef van zoo even te herhalen, om overtuigd te worden, hoeveel dit daardoor reeds minder wordt. Dus valt ons het in dit opzigt niet overeenstemmende van eene afteekening met het origineel des te minder in het oog, naarmate wij verder daarvan verwijderd zijn. Daarom zal niemand eene schilderij van te nabij beschouwen, zonder daardoor het effect daarvan bijna geheel te missen; maar wil hij, zonder het effect te benadeelen, naderbij komen, welnu hij sluite dan één oog en houde het licht, dat van ter zijde in het andere oog valt, door een blikken of kartonnen buis of zelfs door de tot eene soort van buis gevormde hand. Wat hem te voren, met twee oogen ziende, een vlak doek toescheen, dat wordt nu een uitgestrekt vlak, waar de voorwerpen zich duidelijk achter elkaar vertoonen; het diept nu, zoo als men zegt.