Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/223

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 199 —

daarom schijnt hij uit het zuidoosten te komen. Op deze wijze kan en moet het ontstaan der passaatwinden worden verklaard. Deze beide luchtstroomen zijn het regelmatigst en krachtigst op de zeeën tusschen de keerkringen. Op den Atlantischen oceaan wordt de noordoost-passaat zelfs nog ten noorden van den keerkring aangetrofien. In den Noorder-Indischen oceaan ontbreekt echter de passaat. In de nabijheid der groote vaste-landen houden de passaten op, want aldaar ontstaan weder andere stroomen, dewijl de verwarming van land andere gevolgen ten aanzien der luchtstroomingen heeft, dan die van het water.

De passaten waren aan de oude zeevaarders onbekend, want, daar deze slechts in de opene zee op eenen tamelijken afstand van de kusten waaijen, zoo konden de oudste zeevaarders zelfs Afrika omzeilen, zonder den passaat te leeren kennen, dewijl zij zich niet ver van de kusten waagden. In de 13e eeuw, toen de Europeesche zeevaart zich verder en verder begon uit te strekken, verwekten die regelmatige oostenwinden tusschen de keerkringen in hooge mate de verwondering; en de reisgenooten van columbus waren niet weinig met angst en vrees vervuld, toen zij voortdurend, door den bestendig oostelijken wind door onbekende zeeën gedreven werden, zonder hoop om weder den westenwind te zullen aantreffen, die hen weder naar hun vaderland moest terugvoeren. Eeuwen gingen er voorbij, dat alle pogingen om de oorzaak van de passaten op te sporen vruchteloos waren, tot dat de boven gegevene verklaring door halley en bradley werd gevonden. Die verklaring is dan ook zoo eenvoudig en natuurlijk, dat men sedert dien tijd geene pogingen meer heeft gedaan om eene andere te geven.

Bij de voorgaande beschouwing van het ontstaan der passaatwinden, hebben wij verder geen acht geslagen op de lucht, die onder den evenaar door de verwarming is opgestegen, en ons alleen bezig gehouden met die, welke van beide zijden des evenaars toestroomt, om de plaats der opgestegene weder aan te vullen. Zien wij thans wat er van die opgestegene verwarmde lucht wordt en welken loop zij neemt. Die lucht kan zich niet boven den evenaar ophoopen, want dan zou het evenwigt des dampkrings verbroken worden; zij