Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/320

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 296 —

schoone bloem zich ontsluit, dan is zij wit en rood in het midden; de laatste kleur breidt zich over haar uit, en de bloem wordt weldra rozenrood. En, als ontbrak er nog iets aan om de bevalligheid dier schoone bloem te vermeerderen, zij heeft eenen zeer welriekenden aangenamen geur. Bij het opvaren van de rivier ontmoeteden wij dikwerf deze plant, en steeds in meer reusachtige grootte; van een der bladen, waarvan wij de afmetingen bepaald hebben, was de middellijn 6 voet en 5 duim, de opstaande bladrand was 5 duimen hoog, en de bloemen hadden eene breedte van 1¼ voet enz."

Deze brief was vergezeld van gekleurde afbeeldingen en van bladen en bloemen, de laatsten in pekel bewaard. De groote Engelsche kruidkundige john lindleij onderzocht die voorwerpen en erkende daarin eenen vroeger ongekenden vorm; hij gaf er den naam aan van Koninklijke Victoria, Victoria Regia, en maakte dit nieuwe geslacht met de gekleurde afbeeldingen door sir robert schomburgk overgezonden, bekend. Van dit prachtwerk werden echter slechts 25 exemplaren (for private distribution) getrokken, die grootendeels zijn gekomen in handen van de Engelsche aristocratie, doch waarvan er nog een aanwezig is in de rijke bibliotheek van wijlen den Baron benj. delessert, te Parijs, die (thans toebehoorende aan den Heer françois delessert) voor alle beoefenaren der wetenschap toegankelijk is.

Reeds in het jaar 1827 had de Fransche reiziger d'orbigny uit Amerika aan het Parijsche Museum van afbeeldingen vergezelde voorwerpen gezonden tot hetzelfde plantengeslacht behoorende, en waarop hij in de beschrijving van zijne reis had gedoeld, maar zonder eenen naam of beschrijving te geven. Wat de heer d'orbigny daarvan later heeft bekend gemaakt, is te belangrijk om, althans gedeeltelijk, hier niet te worden medegedeeld.

"Reeds gedurende acht maanden (aldus schrijft de heer d'orbigny) mij bevonden hebbende aan de grenzen van Paraguay, doorzocht ik in alle rigtingen de provincie Corrientes, toen ik in den aanvang van het jaar 1827 in een praauw de Parana afzakte, om den loop van deze majestueuse rivier na te gaan, waarvan de vloed, op eenen afstand van 300 mijlen van la Plata, nog bijna eene