Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/369

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 345 —

ongerijmd, om eenige ernstige wederlegging te behoeven. En wat nu andere, onbekende, geheimzinnige invloeden betreft, zoo kan men voor het bestaan derzelve niets aanvoeren, dat naar een bewijs gelijkt en niet gemakkelijk kan wederlegd worden.

Zoo wijzen de mesmeristen b.v. op zekere verschijnselen der hoogere graden, en beweren, dat, daar deze geheelenal met alle gewone begrippen van waarschijnlijkheid en mogelijkheid in strijd zijn, en in hunnen aard aan het bovennatuurlijke grenzen, de oorzaak die hen voortbrengt ook ongewoon en bijzonder zijn moet. Behalve dat deze gevolgtrekking zeer onjuist is, zoo zullen wij spoedig zien, wat wij van die wonderen van het mesmerisme te denken hebben.—Verder voert men aan, dat de gemesmeriseerde den van den bewerker uitgaanden invloed gevoelt, ja in den staat van clairvoyance ziet, in de gedaante van een lichtstroom, die uit de vingertoppen van den bewerker uitgaat, van eene aureole, die hem geheel omgeeft, enz. Wat hiervan zij, moge het volgende geval, dat met eene menigte van dien aard vermeerderd zou kunnen worden, aantoonen. Dr. noble te Manchester had eene jonge dame eerst door strijkingen, en daarna door enkele bepaling der aandacht in den mesmerischen slaap gebragt. Toen zij nu voor de tweede maal ontwaakt was, verzocht hij haar rustig bij den haard te gaan zitten, maar niet naar hem om te zien, omdat hij eene nieuwe bewerking op haar wilde beginnen, die, wanneer zij omzag, ligt mislukken kon. Noble ging nu zitten lezen, en na eenige oogenblikken was het meisje ten derden male in slaap gevallen. Toen zij weder ontwaakt was, beweerde zij, voor zij beter ingelicht was, dat zij den door de strijkingen voortgebragten stroom duidelijk langs haren rug had gevoeld!—De omstandigheid, dat de bloote wil des bewerkers vaak in staat is de mesmerische verschijnselen voort te brengen, vooral bij personen, die geruimen tijd aan zijnen invloed zijn onderworpen geweest, en met wie hij daardoor in zekere mate als vereenzelvigd is,—die omstandigheid heet ook een der sterkste bewijzen voor het uitgaan eener bijzondere kracht uit den bewerker. Men heeft dienaangaande een aantal proeven genomen, en de slotsommen daarvan zijn, ten eerste, dat