Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/519

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 101 —

planeet zoude bevinden, werd nog door niemand vermoed. De vereeniging van sterrekundigen te Lilienthal staakte dan ook alle verdere nasporingen; want men had gevonden, zoo meende men, wat men zocht.

Maar men kon al spoedig niet ontveinzen, dat de nieuw ontdekte planeet de verwachting zeer te leur stelde. Zij was toch, in vergelijking met andere planeten, slechts een zeer klein ligchaampje. Met hoeveel verbazing vernam men, dat herschel haar slechts een middellijn van omstreeks 35 Geogr. Mijlen toeschreef, waarnaar zij meer dan 100,000 maal kleiner dan onze aarde wezen zoude.

Het bleef echter niet lang bij deze ééne ontdekking. Reeds den 28sten Maart 1802 nam olbers te Bremen de planeet Pallas waar. Weldra, den 1sten September 1804, vond harding te Lilienthal de planeet Juno; en den 29sten Maart 1807 voegde olbers wederom eene, die hij Vesta noemde, bij de reeds ontdekten.

Zoo waren er dan, in een betrekkelijk kort tijdsverloop van ruim zes jaren, vier planeten op het veld des hemels, hetwelk door de banen van Mars en Jupiter wordt begrensd, ontdekt geworden. Na het vinden van deze kleine planeten moest men wel vermoeden, dat nog andere, en welligt zelfs nog kleinere, tot deze planetengroep behoorden. Maar in weerwil van dit algemeene en vrij stellige vermoeden, verliepen er acht en dertig jaren, zonder dat een enkel ligchaam van deze groep werd opgespoord.

Dit zal ons minder bevreemden, als wij nagaan, hoe eene planeet aan den hemel opgespoord en als planeet erkend kan worden. Het is niet de uitwendige gestalte, waardoor althans kleine of ver verwijderde planeten zich van de vaste sterren onderscheiden; maar de beweging is het eenige zekere kenmerk, waardoor zij als planeten erkend kunnen worden. Maar om nu onder die tallooze vaste sterren een bewegend ligchaam te ontdekken, heeft men uitvoerige sterrekaarten noodig, waarin zooveel mogelijk alle sterren van zekere grootte zijn opgenomen. Wordt nu door den sterrekundige een hemelligchaam waargenomen, hetwelk hij op zijne sterrekaarten niet vindt, en toch groot genoeg is, om het, naar den vastgestelden maatstaf, welken men voor de grootte der op die kaart af te beelden sterren heeft aange-