Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/556

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 138 —

kwade koppen bestempelde, en die onze zoo hoogstweldadige vlasteelt met eenen geheelen ondergang bedreigde, tot dat men de oorzaak, en daarmede tevens het middel van herstel, aanwees. Zoo wordt, nu tegenwoordig, de mangelwortel in Fransch-Vlaanderen bedreigd en daarmede de suikerfabrieken, waarin duizenden aldaar hun bestaan vinden. Ook aan het overmatig en aanhoudend op denzelfden akker telen van dat gewas, wordt dat kwaad toegeschreven.

In het algemeen dulden de planten een terugkomen op denzelfden grond, zonder tusschen teelt van andere planten, niet. Klaver, zeggen de Vlamingen, heeft zeven jaren noodig, om te vergeten, dat hij op eenen akker gestaan heeft. Getralied vlas, een vlas dat door geweldig mesten tot eene verbazende ontwikkeling gebragt wordt, kan, volgens diezelfde wakkere landbouwers, slechts eenmaal in zijn leven, door den boer op denzelfden grond worden geteeld. Ja zelfs de boomen, wanneer deze zich zelven zaaijen, gehoorzamen aan deze wet. In een eikenbosch zullen berken, esschen, sprakelhout en sparren opslaan, in een bosch van dennen of mastpijnen, eiken en beuken; maar nimmer zal men eiken onder eiken, beuken onder beuken of dennen onder dennen zien opgroeijen. Eveneens is het aan telers van vruchtboomen welbekend, dat men geene jonge pruim moet zetten op eene plaats waar eene pruim gestaan heeft, terwijl daar echter een appel welig tieren zal.

De hoofdoorzaak van dit verschijnsel ligt zonder twijfel daarin, dat de plantensoorten verschillende stoffen uit den grond putten, en dat daar waar eene soort welig gegroeid heeft, er natuurlijk minder van de voor haar ontontbeerlijke stoffen voorhanden zullen zijn, voor de tweede plant van dezelfde soort, welke onmiddelijk na de eerste op die plek komt te staan. Maar geheel en al verklaart zulks deze oorzaak toch niet, want dan zou men door bemesten, dat is door het verleenen aan den grond van de ontbrekende stoffen, daarin kunnen voorzien, gelijk toch geenszins bij alle planten het geval is. Doch voor den landbouwer is het genoeg dat hij het verschijnsel kent, dat hij naauwkeurig weet, welke planten gaarne, welke ongaarne of in het geheel niet na elkander willen groeijen, ten einde zich daarnaar te regelen in de wijze, waarop hij zijne gewassen elkander