Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/623

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 203 —

lucht, afzet. Dat ook vele minerale wateren, bepaaldelijk die, welke veel koolstofzuur bevatten, ijzerhoudend zijn, is algemeen genoeg bekend, terwijl de afscheiding van dit metaal in verschillende verbindingstoestanden bevorderd kan worden door den aard der stoffen, waaruit het gesteente en bij gevolg de wanden van de spleet bestaan, en het er zich bovendien aan hare opening reeds van zelf uit afscheidt, wanneer het koolstofzuur ontwijkt en de zuurstof der lucht kan toetreden. Deze voorbeelden mogen althans eenig denkbeeld geven van de wijze, hoe het water ter opvulling der ertsgangen kan medegewerkt hebben.—Doch men mag ook nog eene tweede oorzaak aannemen, namelijk de vervlugtiging van sommige stoffen aan het benedeneinde der gangen, daar waar dit in de nabijheid is van de gloeijende aardkern. Hier kan men zich beroepen op ervaringen, wel is waar op geringe schaal verkregen, in verhouding tot hetgeen ons de natuur oplevert, maar toch voldoende om de onderstelling te regtvaardigen. Niet alleen strekt daartoe het vinden van stoffen in hoogovens gevormd, welke zoowel in kristalvorm als zamenstelling geheel beantwoorden aan mineralen, die in de natuur voorkomen, maar ook is het in den laatsten tijd gebleken, dat alle metalen, zelfs het zoo moeijelijk smeltbare platina niet uitgezonderd, den gasvorm kunnen aannemen en zich vervlugtigen, wanneer zij aan de geweldige hitte tusschen de poolspitsen eener zeer vermogende galvanische batterij worden blootgesteld. Inderdaad kan men zich op die wijze het best rekenschap geven van de tegenwoordigheid der meeste metaalertsen in de gangen. In de gloeijende aardkern bevat, stegen hunne dampen in de spleten op en werden daar verdigt. Tevens echter moet men aannemen, dat de opvulling der gangen niet alleen op die wijze plaats greep, maar dat daartoe meerdere oorzaken medewerkten, en daarbij die scheikundige veranderingen ontstonden, waardoor de ertsen van een en hetzelfde metaal in die zoo verschillende verbindingstoestanden geraakten, waarin wij hen thans vinden, doch welker optelling buiten ons tegenwoordig bestek ligt.

Niet alle metalen worden alleen in ertsgangen gevonden; sommige komen ook in de losse gronden voor, die door het water der