Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/64

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 40 —

cellen (die dikkere vloeistoffen bevatten) om dunnere vloeistoffen op te nemen,—de endosmose, dat eigenaardig opslorpingsvermogen, heeft in de wortelcellen en ook in andere meer inwendig gelegen cellen in het koudere jaargetijde zoowel als in den zomer plaats. Met andere woorden, waar leven is moet ook beweging zijn. De beweging, die hier plaats heeft, bestaat in de verplaatsing, de wisseling van vloeistoffen van de eene met die van de andere celholte. Die beweging en de aanvoer en wisseling van stoffen, die zij noodzakelijk te weeg brengt, is de eenige oorzaak van den groei. Zij moet, al is het dan ook in mindere mate, plaats hebben in de deelen onder den grond, zelfs dan wanneer de koude van den winter allen groei en ontwikkeling stremt,—wanneer de natuur den oppervlakkigen beschouwer zelfs geen spoor van leven doet erkennen. Hoe nu dit mogelijk zij, dit is uit de volgende oorzaken te verklaren.

Wanneer de aarde als 't ware in eene korst van ijs is veranderd, dan is echter op eenen betrekkelijk geringen afstand van de oppervlakte de warmte des bodems hooger dan die van de lucht. Het is proefondervindelijk bewezen, dat de boomen innerlijk eenen anderen graad van warmte hebben dan de omringende dampkring. Men heeft bevonden dat zelfs dan, wanneer de thermometer beneden het vriespunt is gedaald en de lucht dus koud is, terwijl water overgaat tot eene vaste gedaante, tot ijs, de boomen innerlijk warmer zijn. Men boorde des winters openingen in stammen, men stak daarin thermometer-bollen, en het kwik stond in de buizen eenige graden hooger, dan in die van naast de boomen in de vrije lucht opgehangen thermometers. De boomen behouden, naar 't schijnt, dien eigenen graad van warmte, niettegenstaande al de wisselingen van de temperatuur der lucht. Dit is grootendeels te verklaren uit de algemeen bekende eigenschap van planten-stoffen, vooral van hout (en bijgevolg inzonderheid van boomstammen), om de warmte niet gemakkelijk af te staan, of eenen anderen warmtegraad van de omringende ligchamen aan te nemen. Men noemt die planten-stoffen daarom "slechte warmte-geleiders."

Wij bevinden ons reeds op den weg, geachte Lezer, om som-