Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/651

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 231 —

den steen, waardoor deze zich uitzette, het daarin aanwezige water verdampte en de steen bij het afkoelen scheurde; dit scheuren werd door het begieten met water bevorderd; de hardste steensoorten kunnen daarna door de gewone mijnwerkers-gereedschappen losgemaakt worden. In sommige Saksische en Hongaarsche mijnen wordt het vuur nog aangewend; men gebruikt daartoe eene ijzeren kast van onderen van een rooster voorzien, en aan eene zijde open, welke zijde tegen den steen wordt geplaatst; de vlam strijkt nu tegen den steen, welke daardoor bros en minder zamenhangend wordt; op deze wijze wordt een 1 of 2 el diepe groef onder in de rots gemaakt, welke, daardoor van onderen ondermijnd, verder door buskruid of wiggen losgemaakt wordt. Dit middel kan echter alleen in die mijnen gebruikt worden, alwaar eene goede luchtverversching is, daar de rook van het brandende hout anders onuitstaanbaar zou worden.

De bergwerken hebben eene groote ontwikkeling verkregen, toen men daarbij het buskruid is gaan gebruiken, hetgeen het eerst in 1632 is geschied; tot dien tijd gingen zij slechts langzaam vooruit; met het buskruid werd voor den bergbouw een nieuw tijdvak geopend, daar het de kosten der ontginning tot op de helft verminderde. Door het ontbranden van het buskruid worden verschillende luchtsoorten ontwikkeld, welke bij 1200° C, de vermoedelijke temperatuur bij de verbranding, 2075 maal het oorspronkelijk volume van het buskruid innemen, en alzoo eene drukking van evenveel atmospheren veroorzaken. Dit geweldig uitzettingsvermogen oefent natuurlijk de meest krachtige werking uit op het gesteente, waarin de ontbranding plaats heeft, doet het in verschillende rigtingen scheuren en in stukken springen.

Indien men een gesteente door kruid wil doen springen, boort men daarin ronde gaten; de boren, welke men daarvoor gebruikt, zijn ronde ijzeren staven van verschillende lengte, van boven met eenen platten kop voorzien en van onderen in den vorm van eenen platten afgeronden beitel of in eene scherpe punt uitloopende. De mijnwerker houdt de boor in het gat en slaat daarop met zijnen hamer snel en met kracht, terwijl hij de boor ronddraait; het boorgat wordt nat gehouden en van tijd tot tijd schoongemaakt; als het gat