Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/754

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 334 —

eene doelmatige verhouding tot de daaraan bestaande behoefte. Éénjarige planten, de zoogenaamde zaailingen, die zich doorgaans alleen door hare zaden vermeerderen, en wier in stand blijven alzoo gevaar zoude loopen, indien de zaadzetting mislukte, wassen in den regel snel op, bloeijen bijna altoos met een groot aantal bloemen, zoodat zij ook een overgroot aantal zaden voortbrengen en hun bestaan alzoo genoegzaam verzekerd is. Van die bloemen, van die zaden, kan veel verloren gaan en altijd nog genoeg overblijven; vooral ook, omdat deze, even als andere plantenzaden, in den grond, of diep onder het water verscholen, dikwijls eenen onbedenkelijk langen tijd bewaard kunnen blijven. Zoo ook onder de dieren. Zij onder hen, die weinige middelen ter verdediging hebben en ligtelijk de prooi van roofdieren zouden worden, brengen doorgaans een veel grooter aantal jongen voort, of leven in maatschappijen vereenigd, zoodat zij elkander kunnen helpen en door hun aantal vergoeden, wat aan het vermogen des enkelen ontbreekt; of zij hebben het vermogen om het ongunstig jaargetijde, dat hun ligt doodelijk zoude zijn, in eenen staat van winterslaap, zonder voedsel en onvatbaar ook voor de hevigste koude, door te brengen, zoo als dit met vele insekten, alsook met hunne eijeren, het geval is,—in dit opzigt met de zaden der planten te vergelijken, die men, volgens genomene proeven, blootgesteld heeft aan eene koude zoo sterk, dat het kwik daarbij bevroor, en die later toch behoorlijk zijn ontkiemd, even als andere zaden, die nooit aan zoodanige koude waren blootgesteld geweest. Evenzoo blijven de korstmossen op de schors onzer boomen, op regtopstaande steenen en schuttingen, ook in het droogste jaargetijde, al groeijen zij dan niet, evenwel in leven, een voor hen gunstiger jaarsaisoen ongedeerd afwachtende. Zoo kunnen slooten droogloopen en in het nu droog gewordene slijk blijven vele beginselen van planten en dieren bewaard, om zich, bij meerderen overvloed van het hun noodige vocht, weder te ontwikkelen; of deze dalen, zoo als de bloedzuigers, naar beneden, ten einde aldus den schadelijken invloed der droogte te ontwijken.

De planten, welke aan hare plaats gebonden zijn en niet, zoo als de meeste dieren, door beweging van de eene plaats naar de andere het hun dreigende kwaad kunnen ontvlieden, hebben vele andere