Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/778

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 358 —

welke planten zij hebben gesproken. De reden hiervan is gelegen in hunne korte en onvolledige beschrijvingen, en daarvan was alweder de reden in de geringere behoefte die zij hadden, om de planten die zij kenden, scherper van elkander te onderscheiden. Zij kenden er toch slechts weinige honderden. Ten blijke nu van de onvolkomenheid hunner kennis, voeren wij slechts dit voorbeeld aan, dat de groote beschrijver der natuur bij de Romeinen, de beroemde plinius, van die planten, die men niet voor akkerbouw, geneeskunst enz. gebruikte, die op wegen en in bosschen groeiden, gewoon was te zeggen, "dat zij geene namen hadden en ook geen nut." De grootere omvang der wetenschap, en het meer naauwkeurig onderzoek noodzaken thans dikwerf tot het onderscheiden van soorten, die men vroeger tot eene en dezelfde soort heeft gebragt; dit maakt alzoo de bepaling van hetgeen de Ouden onder deze of gene plant door hen genoemd, bedoeld hebben, wel meer bezwaarlijk, maar het voert tot meer naauwkeurige uitkomsten, dan waartoe men ooit te voren heeft kunnen geraken.

Is de papyrus nog in Egypte? Of heeft de loop der tijden die plant doen verdwijnen, en vertoont zij zich welligt niet meer in het oudtijds zoo vruchtbare en zoo beschaafde Egypte? Laat ons kortelijk nagaan wat men in reisbeschrijvingen deswege vindt opgeteekend.

Salt en drovetti hebben opgegeven dat zij nog in Egypte en wel in de Delta zou zijn. Minutoli[1] vond haar aan den moerassigen oever van den Phatnischen Uylarus en de daarmede in verband staande kanalen. Hij zag de plant in bloeijenden toestand in de maanden Augustus en September. De houding stemde volmaakt overeen met de beschrijvingen door de kruidkundigen er van gegeven.

De ridder xaver landolina zag mede den papyrus in Egypte.[2]

Deze landolina was dezelfde, die omstreeks 1780 begonnen is, naar de wijze door plinius vermeld, papier te maken van den papyrus. In 1802 verkreeg hij van den Koning van Napels een pri-

  1. Abh. Verm. Inhalts II Cycl. Berl. 1831. p. 114.
  2. Bartels, Briefe über Kalabriën u. Sicilië. III. 1792.