Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/117

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 103 —

vermengd met glasachtige draden, "het haar van Pele geheten," viel tot eene dikke laag in onze straten en op de daken onzer woningen.

Zoodra de tweede uitbarsting begon, besloot ik haar een bezoek te brengen. Dr. W. gaf zijn verlangen te kennen om mij te vergezellen en wij namen vier inboorlingen aan om onze pakkaadje te dragen; een hunner, Kekai (Zoutzee) genaamd, zoude ons tot gids dienen. Maandag den 23sten Februarij vertrokken wij en bragten den nacht door aan den buitenzoom van het groote bosch, hetwelk Hilo van de bergen scheidt. Den volgenden dag drongen wij in het bosch door, langs een in vroeger dagen bestaan hebbend Indiaansch pad, doch dat zoozeer met struikgewas was begroeid, dat het nagenoeg geheel verstopt was. Met behulp van een lang mes, eene bijl en knodsen baanden wij ons echter eenen weg, zoodat wij elk uur een en een vijfde mijl vorderden. Dien nacht sliepen wij in het bosch, en luisterden naar het verwijderde brullen van den vulkaan. Woensdag den 25sten bereikten wij eenen kleinen heuvel, vanwaar wij den lavastroom konden zien, welke zich nu tegen ons over aan de linkerzijde bevond, op eenen afstand van zes mijlen. Deze vuurvloed was nu half weg door het bosch, en had reeds meer dan drievierde van den weg afgelegd van den krater naar de zeekust, alles voor zich uit drijvende of verwoestende. Op den 26sten kwamen wij uit het bosch, maar vonden ons hier dadelijk in eenen mist gehuld, nog duisterder dan in het digte struikgewas hetwelk wij zoo even verlaten hadden. Den berg al verder beklimmende bereikten wij eenen ruwen met houtgewas begroeiden rotstop, waar wij ons nachtleger opsloegen. Kort voor het ondergaan der zon verdween de mist en de Mauna Kea en Mauna Loa lagen voor ons; de eerste bijna tot aan zijnen voet in eenen wolkenmantel gehuld, de laatste stroomen vuurs uit zijne brandende fornuizen brakende. Gedurende den ganschen nacht staarden wij naar den vuurgloed en luisterden naar het ontzagwekkend gedruisch van den verschrikkelijken krater.

Wij waren nu vier nachten onder weg geweest en op twintig mijlen afstands van den krater, met de lange, schitterende rivier van gesmolten lava aan onze linkerzijde, als eene streep van licht