Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/118

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 104 —

afdalende aan de zijde des bergs, tot dat zij het bosch binnentrad.

Wij verlieten onze legerplaats vroeg op den 27sten, vast besloten, om, zoo mogelijk, nog dien dag de plaats der uitbarsting te bereiken. De zuil van vuur en wolken tot baak nemende, en steeds de groote rivier van lava aan onze linkerzijde hebbende, gingen wij voorwaarts over eenen ruwen en bijna onbegaanbaren bodem. Des middags kwamen wij aan eene plaats, slechts met bloote lavaslakken overdekt, zoo onverdragelijk scherp en puntig, dat onze pakdragers er niet over konden gaan. Hier liet ik halt houden, en, de overigen achterlatende,[1] gaf ik aan mijnen gids een extra paar sterke schoenen, mijnen overjas en deken, stak eenige beschuiten en gekookte eijeren in mijne zakken, nam mijn kompas en stok, en zeide tot Kekai: "Nu naar boven, en laat ons nog heden nacht ons warmen aan het gindsche vuur!" Zoo uitgerust stegen wij verder den berg op, over velden van lava van onbeschrijfelijke ruwheid, terwijl de vurige zuil in het volle gezigt stond, dan weder daalden wij af in kloven en diepten, waaruit wij slechts langzaam op handen en voeten weder naar boven kropen. Maar weldra bevond ik dat mijn gids zelf een geleider behoefde. Hij was te langzaam. Ik ging hem dus vooruit, het aan hem overlatende om zoo goed hij kon mij te volgen. Ten half vier ure bereikte ik den vreesselijken krater, en stond alleen in het licht van zijn vuur. Het was een oogenblik vol onuitsprekelijke gewaarwordingen. Het scheen mij toe, als stond ik in de tegenwoordigheid en voor den brandenden troon van den eeuwigen God, en alsof, terwijl alle andere stemmen zwegen, alleen zijne stem sprak. Ik bevond mij 10,000 voeten boven de zee, in eene uitgestrekte eenzaamheid, onbetreden door de voeten van menschen noch dieren; te midden van eene stilte door geen geluid van eenig levend wezen afgebroken, en omringd door tooneelen van de schrikkelijkste verwoesting. Hier stond ik, schier verblind door den ondragelijken lichtgloed, schier verdoofd door het geweldige gedruisch, schier versteend


  1. De heer W. was reeds vroeger teruggekeerd, uit zorg voor de in stad achter geblevenen.