Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/155

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 141 —

uit de kleine hersenen voortkomt en zich over het verlengd merg heenslaat, de brug van varolius heetende; 8°. versmalling der voorste hersenkwabben, die hierdoor een' meer driehoekigen vorm krijgen; 9°. geringer aantal kronkels, symmetrie der kronkels van den tweeden rang, met geringer diepte der sleuven; schier volslagen gemis der kronkels van den derden rang, en hierdoor mindere hoogte der halfronden van de groote hersenen; 10°. korter eeltachtig ligchaam.

Deze bewijzen van mindere volmaaktheid zijn in de hersenen van den Chimpansé meer dan in die van den Orang-oetan uitgedrukt. In den Orang-oetan toch verlengen zich de halfronden der groote hersenen meer achterwaarts, waardoor de kleine hersenen minder onbedekt liggen; is de kronkel, welke over het eeltachtig ligchaam heengaat, minder schraal; is het eeltachtig ligchaam zwaarder, gaat het verder naar achteren, en buigt zich zijn achterrrand (splenium) achterwaarts om; zijn er duidelijker kronkels van den derden rang, waardoor ook de halfronden der groote hersenen hooger worden, en zijn de kleine hersenen betrekkelijk kleiner.

In het zenuwstelsel, in de zintuigen en in het hart zijn geene noemenswaardige punten van verschil met den mensch op te geven. Alleen is het opmerkelijk, hoewel geheel in verband met hetgeen omtrent het overig maaksel gezegd is, dat in den Chimpansé en somtijds ook in den Orang-oetan de vaatstammen, welke uit den boog der aörta voortkomen, zich geheel zoo als bij den mensch voordoen, terwijl zich in al de overige Vierhanders eene gesteldheid vertoont, welke met die der vleeschetende dieren overeenkomt, namelijk een regter stam, die zich in drieën splitst, en eene enkelvoudige linker ondersleutelbeensslagader. Ten opzigte der zintuigen verdient slechts opgegeven te worden, dat de apen de eenige dieren zijn, welke met den mensch het bezit eener gele vlek aan het netvlies van het oog gemeen hebben. Eene merkwaardige bijzonderheid in het maaksel der apen van de oude wereld en dus ook der Anthropomorphen is gelegen in de zonderlinge luchtzakken, welke, hoewel op verschillende wijze, met het strottenhoofd in gemeenschap staan. Zij zijn bewaarplaatsen van lucht, bij mannelijke dieren grooter dan bij vrouwelijke. Bij toenemende leeftijd zetten zij zich onder de sleu-