Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/164

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 150 —

de Hop, kunnen beide in den loop eens zomers stengels vormen van 7—8 ellen lengte. Van den 17den tot den 18den Junij 1843, derhalve in 24 uren tijds, zag ik eenen stengel der eerstgenoemde plant 191 strepen, en van de laatstgenoemde 179 strepen langer geworden. Twee dagen vroeger had ik des avonds tusschen 6 en 7 uren, op het tijdstip dat de groei des hopstengels het sterkst was, de mate zijner verlenging alle 5 minuten opgeteekend; herhaaldelijk bedroeg deze niet minder dan 2,5 streep in deze geringe tijdruimte, zoodat men in den letterlijken zin kan zeggen, dat men den stengel kon zien groeijen, want de puntige eindknop steeg allengs naar boven, ongeveer met dezelfde snelheid als de minuutwijzer van een klein horologie zich langs het wijzerbord beweegt.

Vragen wij nu: waarin bestaat eigenlijk de groei der planten? waardoor wordt die verlenging en die vergrooting in omvang te weeg gebragt?—dan is het antwoord gereed. Uit den omgevenden dampkring dringen gasvormige, uit den bodem, waarin zij wortelt, in water opgeloste stoffen de plant binnen, en aanhoudend worden daaruit die bestanddeelen opgenomen, welke geschikt zijn tot vorming van nieuwe cellen binnen in de reeds bestaande, die zich tevens daarbij uitzetten, dat is, grooter worden. Om den lezer eenig denkbeeld te geven van de snelheid, waarmede deze vorming van nieuwe cellen geschiedt, moge het volgende dienen. Eene eenvoudige berekening, waarvan ik u echter de bijzonderheden spaar,[1] leerde, dat de opperhuid van eenen stengel van Phytolacca decandra, die eene lengte bezat van 0,444 el, uit omstreeks 40 millioenen cellen bestond. Blijkens gedane waarnemingen, had, bij matig gunstig weder, een stengel dezer plant elf dagen noodig om deze lengte te bereiken, waaruit derhalve volgt, dat dagelijks 3,600,000 cellen in de opperhuid alleen gevormd worden, d.i. 2500 in elke minuut; een getal, dat nog minstens zes malen grooter zoude worden, indien wij er ook de celvorming in de overige lagen, die zulk eenen stengel zamenstellen, bijvoegden.

  1. Zij wordt gevonden in mijn opstel: Over de ontwikkeling der elementaire weefsels, gedurende den groei van den éénjarigen dicotyledonischen stengel. Tijdschrift voor Nat. Geschiedenis en Physiologie. Dl. XI, blz. 229.