Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/168

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 154 —

vroegere geologische tijdperken de aarde bewoond hebben, in eenen schier ongeschonden toestand gevonden binnen in rotsgesteenten, terwijl daarentegen die van zoogdieren slechts zelden in hun geheel worden aangetroffen. Men mag hieruit met de meeste waarschijnlijkheid besluiten, dat ook reeds de voorwereldlijke kruipende dieren een gedeelte van hun leven in het slijk bedolven doorbragten en daar hun leven eindigden, hetzij dat zij stierven van ziekten of van ouderdom, of dat, tijdens hunnen slaap, de plek, waar zij begraven lagen, het tooneel werd van eene dier vele omwentelingen, waarvan onze aarde de getuige was.

Onder de zoogdieren zijn er mede verscheidene, die eenen winterslaap hebben. Van de inlandsche soorten behooren daartoe inzonderheid de egel en de vledermuis; de eekhoorn heeft ook eenen winterslaap, doch veel minder volkomen dan de beide eerstgenoemde dieren. Verders: de noordelijk Azië en oostelijk Europa bewonende hamster, de vooral in de bergachtige streken van midden-Europa, Noord-Azie en Noord- Amerika levende marmot, de in het zuiden van Europa voorkomende relmuis, die in het Duitsch den beteekenisvollen naam van "Siebenschläfer" draagt, de hazelmuis en verscheidene andere soorten van datzelfde geslacht (Myoxus). De vraag, of de beeren eenen winterslaap hebben, is door onderscheidene schrijvers verschillend beantwoord; door de meeste nieuweren wordt dit echter ontkend. Ofschoon deze ontkenning nu op goede gronden schijnt te rusten, voor zoo verre zij de beeren betreft, die in middenEuropa voorkomen, zoo volgt echter uit eene mededeeling van lyell,[1] dat de beeren in Noord-Amerika werkelijk den winter slapende doorbrengen, terwijl ook uit het volgende, mij verhaald door den heer bonsdorff, hoogleeraar te Helsingfors in Finland, blijkt, dat daar te lande en derhalve ook wel in de overige hooge noordelijke streken van ons werelddeel, de beeren gedurende eenige maanden in den toestand van winterslaap verkeeren. Wanneer een Finsche boer in de nabijheid van een bosch des winters in de sneeuw het spoor van een' beer ontwaart, dan loopt hij het bosch om, ten

  1. A second visit to the United states of North- America. London, 1850, Vol. I, p. 67.