Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/173

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 159 —

ondergingen noch stierven. Ook onder de weekdieren zijn er, die zeer lang in eenen schijndooden staat kunnen verkeeren. Vooral is dit meermalen waargenomen van verschillende soorten van huisjesslakken. Gough [1] dreef door drooge warmte eenige gewone tuinslakken (Helix hortensis en Helix zonaria) in hunne schelpen terug, die zij met dunne vliezen sloten. Zoo bewaarde hij er eene niet minder dan drie jaren lang, die, in water gebragt, weder tot het leven terugkeerde. Nog onlangs deelde gaskoin [2] eene dergelijke waarneming mede, die in een zeker opzigt nog merkwaardiger is. Hij had van eenen koopman eenige exemplaren gekocht van de in Afrika levende Helix lactea. Deze schelpdieren hadden toebehoord aan twee kooplieden, bij wie zij gedurende ruim vier jaren droog en in het stof gelegen hadden. Desniettegenstaande ontwaakte er een, toen hij de schelpen ter reiniging in het water had gebragt. Het dier bleef niet alleen voortleven, terwijl hij het voedde met komkommer- en koolbladeren, maar na eenige maanden kreeg het een dertigtal jongen. Dezelfde deelt nog verscheidene andere voorbeelden mede van sluimerend leven bij verschillende weekdieren. Het opmerkelijkst is dat van eene Australische zoetwatermossel (Unio), gevangen den 29 Januarij 1849 en in eene lade droog bewaard gedurende 231 dagen; toen werd zij in water gedompeld en herleefde weder. Toen deze Unio te Southampton aankwam, 498 dagen nadat zij uit het moeras gehaald was, werd zij op nieuw in water gelegd, waar zij wederom hare kleppen opende en tot het leven terugkeerde.

Zagen wij in de tot hiertoe aangevoerde gevallen, hoe het dierlijk leven nog kan blijven voortbestaan, al zijn dan ook de verrigtingen, die er mede gepaard gaan, bijna tot stilstand gekomen, hetzelfde geldt ook van het plantenleven. Ook hier wordt de toestand van werkdadigheid afgewisseld door eenen toestand van rust. Ook de planten in de gematigde en koude luchtstreken hebben eenen winterslaap even als vele dieren, terwijl het drooge jaargetijde in vele der landen tusschen de keerkringen voor de plantenwereld aldaar het tijdperk van den zomerslaap is. Gelijk bij ons te lande, na het

  1. Zie reeve, An. Essay on the Torpidity of Animals, London 1809, p. 87.
  2. Ann. and Magaz. of Nat. Hist., Junij 1852, p, 498.