Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/187

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 173 —

wind slaan, alleen omdat zij nog niet passen in den kring onzer tegenwoordige kennis. Hij herinnert zich hierbij hoe het weinig meer dan eene halve eeuw geleden is, sedert chladni bewees, dat het vallen van steenen uit de lucht, hetwelk men tot dusver voor een volkssprookje gehouden had, inderdaad eene waarheid is, en dat vóór nog slechts weinige jaren boutigny toonde, hoe een ander volkssprookje, dat een mensch namelijk zonder letsel zijne handen in gesmolten lood en zelfs in gloeijend gesmolten ijzer kan steken, werkelijk door de ervaring bevestigd wordt.

Ik bedoel hier thans de verhalen aangaande padden, die gevonden zouden zijn niet alleen binnen in het hout van boomen, maar zelfs in vaste rotsgesteenten. Indien de zekerheid van een verschijnsel gelijken tred hield met het aantal van gevallen, waarin het gezegd wordt te zijn waargenomen, dan zoude men bezwaarlijk meer kunnen twijfelen aan de waarheid van het voorkomen van nog levende padden op zulke plaatsen.

Sedert agricola vóór meer dan twee eeuwen, namelijk in 1546, in zijn werk De animalibus subterraneis het eerst een voorbeeld opteekende van eene levende pad, gevonden in eenen molensteen te Toulouse, tot aan het geval dat voor bijna drie jaren de Fransche Akademie[1] in beweging bragt, vindt men dergelijke feiten in groot aantal door verschillende schrijvers vermeld.[2] Doch zulke feiten mogen niet enkel geteld, maar zij moeten vooral gewogen worden. Hier, zoo ergens, is de toets eener scherpe kritiek noodig, en wendt men deze aan, dan bevindt men dat verreweg de meeste dier ge-

  1. Comptes rendus, 21 Juillet 1851, T. XXXIII, p. 60.
  2. Achter het rapport der door de Akademie benoemde commissie (z. Compt. rendus, XXXIII, p. 112) vindt men eene lijst van een dertigtal schrijvers over dit onderwerp. De meeste van deze gevallen zijn reeds verzameld door guettard in zijne Mémoires 1783, T. IV, p. 615—684. C. dumeril heeft in zijne Erpétologie générale 1841, T. VIII, p. 172, een overzigt der meesten gegeven. In de Uitgezochte Verhandelingen enz. Dl. VIII, in 1763 te Amsterdam bij houttuijn verschenen, komt op bl. 506 eene vertaling voor getiteld: Berigt wegens een levende pad, welke men in Gothland bij Burswik in vaste en digte steenen, bij de acht ellen diep in eene steengroeve gevonden heeft, door Dr. johan pikl overgenomen uit de Abhandlungen der Königl. Schwed. Acad. 1741, p. 285. Deze verhandeling is vergezeld van eene plaat, voorstellende de pad zoo als zij in de steengroeve gevonden werd.