Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/214

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 200 —

die zich op de bespiegelende ontdekking van de planeet Neptunus verhief, en waar men aan het onvermogen van de reusachtige kijkers, die men aldaar bezat, de omstandigheid toeschreef, dat de werkdadige ontdekking dier planeet elders heeft plaats gevonden. Had echter een der Heeren molteni, of een der sterrekundigen van het observatorium te Parijs, in het hoofd gekregen, om met eenen dier zakkijkers, welke hier te lande voor 14 guldens worden verkocht, de plek van den hemel te begluren, door leverrier als de schuilplaats van zijne nog onontdekte planeet aangewezen, en de sterren, die zich aldaar vertoonden, bij de bestaande sterrekaarten te vergelijken, zoo had hun de werkdadige ontdekking der planeet niet kunnen ontgaan, want het vermogen van zulk eenen kijker is veel meer dan toereikend, om haar met groote duidelijkheid te verraden. Eindelijk werd eene bezending oogbuizen van molteni ontvangen, die juist op hunne zakkijkers pasten, die door mij werden onderzocht en goedgekeurd, en door den Heer kipp voor den prijs van 5 guldens 50 centen, werden afgeleverd. Die voorraad was spoedig uitgeput. Er werd om eene nieuwe bezending van oogbuizen geschreven, maar, door eene toevallige omstandigheid, ontdekte ik, dat de nieuw toegezondene oogbuizen eene vergrooting hadden, slechts half zoo groot als door mij was voorgeschreven. Omdat die oogbuizen voor mijn doel geene waarde hadden, werden er andere uit München ontboden. Deze betoonden zich volstrekt niet beter dan de vroegere van molteni, en kwamen, bij den Heer kipp, op 13 guldens te staan. In weerwil van haren hoogen prijs, waren ook deze oogbuizen in een' zeer korten tijd afgezet, zoodat spoedig een aantal nieuwe oogbuizen uit München werd ontboden, maar ook van deze bleek het mij, dat zij geene waarde hadden, wijl hare vergrooting slechts half zoo groot was als die wezen moest. Het waren deze teleurstellingen, die mij aanleiding gaven om mij aan alle verdere bemoeijing met de zakkijkers van molteni te onttrekken. Ik heb die bemoeijing nu weder opgevat, eensdeels omdat ik die stukken als eene belangrijke aanwinst voor onze beminnaars der sterrekunde blijf beschouwen, anderdeels, omdat men nu minder gevaar loopt oogbuizen te ontvangen, die, wegens hare te geringe