Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/260

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 246 —

veel zwaarder dan dampkringslucht, en gij hebt de inrigting eener lens van lucht. De geluiden, aan de eene zijde der lens voortgebragt, werden, even als de zonnestralen door de glazen lens, aan de andere zijde in één punt zamengebragt en dus aanmerkelijk versterkt.

Bij de vermelding van het vermogen, dat de verzamellens bezit, om de lichtstralen in één punt te vereenigen, zijn wij opzettelijk over een daarmede gepaard gaand verschijnsel heen gestapt, welks nadere overweging het doel, waarmede wij dit stuk schreven, gewis nog zekerder zou doen bereiken, dan wij ons vleijen, dat het reeds tot hiertoe het geval is geweest. Wij maakten den lezer namelijk niet opmerkzaam op de warmte, die er in het vereenigingspunt van de lichtstralen der zon ontwikkeld wordt, en waaraan het glas den naam van brandglas heeft ontleend. Daar het gevoelen thans meer en meer veld wint, dat licht niets anders is dan zigtbare warmte, zoo zou zich hier een ruim veld voor onze beschouwingen openen, en de daarbij te maken opmerkingen zouden zeker, hoe kort ook zamengedrongen, nog verre de hier bovenstaande redeneringen in uitgebreidheid overtreffen. Meent niet, dat wij daardoor gevaar zouden loopen, om eenigzins van ons onderwerp af te dwalen, want er zijn inderdaad zoo veel punten van overeenkomst tusschen de licht- en warmte- verschijnselen, dat wij wel tot het gevoelen moeten overhellen, dat ook de warmte uit de trillingen of golvingen van den aether behoort te worden verklaard. Alzoo zoude ook dit levendmakend beginsel in de natuur aan deze zeer kleine bewegingen zijn' oorsprong verschuldigd zijn.

Hoewel men thans nog niet zoo verre is gevorderd, om alle warmteverschijnselen uit deze onderstelling te verklaren, willen wij toch in eenige korte trekken, weinige, maar evenwel treffende, punten van overeenkomst aan onze lezers doen kennen.

Zeker is het, dat licht over het algemeen met warmte gepaard gaat. Een onnoemelijk tal van verschijnselen, dagelijks onder onze oogen voorvallende, bevestigt zulks. Er doet zich intusschen ook warmte kennen, dáár waar geen licht aanwezig is. Breekt men bijvoorbeeld de van een enkel punt der zon voortkomende, of liever een' zeer dunnen bundel lichtstralen, door middel van een driekantig lang-