Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/264

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 250 —

mij heen, en strekten zich van het hellen des bergs, als een doorschijnende grenzenlooze oceaan, voor mij uit. Alleen de bladkroonen der kokospalmen wiegden, boven den nevel verheven, de liefelijke kruinen, zacht ritselend, tegen het donkere, met fonkelende sterren bezaaide azuur des hemels. De natuur sluimerde nog; stilte heerschte alom, slechts afgebroken door het gelui der klokken van de talrijke kerken en kloosters in de afgelegene stad, dat bij tusschenpoozen, door het ongestadige briesje gedreven, als zachte orgeltoonen door de lucht trilde. De vromen werden ter messa da madrugada[1] opgeroepen.

Het azuur des hemels werd helderder; allengs verdoofden zich de sterren. De dageraad streefde den gloeijenden zonnewagen vooruit, trok als een ontzaggelijk gordijn uit het oosten naar boven, en overtoog den nevel met schitterende tinten van rozenrood, purper en goud. Eensklaps schoot de zon een straal van vuur door dezen prachtigen sluijer, waarmede zich de dageraad omhuld had. — Als van eerbied en ontzag voor den koning van den dag getroffen, rolde zij dien in een oogenblik weg. Alles was gloed en licht, tintelend als diamanten op de met daauw besproeide bladeren van boomen en planten.—Nog een oogenblik te voren voor mij onzigtbaar, strekte zich nu, kalm en effen, als eene reine spiegel vlakte, de ruime baai met al hare vruchtbare en boschrijke eilanden voor mij uit.—Plotseling werd ik in mijne bespiegelingen gestoord. Met verbazing vielen mijne blikken op een tafereel beneden mij, dat mij het grootste belang inboezemde. Niet zeer ver van het strand verwijderd, omringden een aantal sloepen een Walvisch, in volle bedrijvigheid om het zeemonster te bestrijden.—Zonder mij een oogenblik te bedenken, en vergetende mijn bevelhebber van dit voorval kennis te geven, ijlde ik, een smal kronkelend pad volgende, den stellen bergrug af. Aan het strand van klip op klip springende, gelukte het mij zoo nabij te komen, dat ik duidelijk de aanmoedigende kreten der bootslieden boven het plassen der riemen hooren kon.

Hoe zal ik in flaauwe woorden al het treffende beschrijven, waarvan ik ooggetuige was?—Met starende blikken, naauwlijks achtslaande, dat de hevige beroering van de zee nu en dan de golven

  1. Vroege Mis.