Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/333

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 319 —

overhangende gedeelten der rotswanden eenigzins zijn gedekt.

Dikwijls ziet men de nesten op grooten afstand en ieder Alpenbewoner kent ze. Zij zijn echter ongenaakbaar, en buiten het schot der ver dragende buksen. De zamenstelling dezer nesten is eenvoudig en trotsch, doch nog nooit door een natuuronderzoeker naauwkeurig opgenomen.—Tot onderste laag vindt men eene menigte hooi en stroohalmen, varenkruiden en stengels op een groot aantal kruiselings gerangschikte takken liggen. Daarop rust dan eerst het kransvormige, uit heestertakken bestaande met dons en mos bekleede nest. Zeer vroeg in het jaar legt het wijfje 3, hoogstens 4, zeer groote, wit en bruin gevlekte eijeren, waarvan zij gewoonlijk slechts twee uitbroeit. In een kortelings gedooden vogel vond men reeds in het midden van Februarij een geheel voldragen en tot het leggen rijp zijnde ei.—Van de twee uitgebroeide jongen schijnt er meestal nog maar één te worden opgevoed. Zij zijn met wit dons bezet, en hebben uit hoofde van hunnen grooten misvormden krop en buik een zeer onbehagelijk voorkomen. De zeer dikke en warme vederen der ouden, die hun eekhoorntjes, hazen en lammeren verschaffen, verwarmen de jongen ook in de gure voorjaarsdagen. In den zomer vliegen de Lammergieren gewoonlijk in de hoogste ijsbergen rond en bezoeken vlijtig de bovenste vlakten, waar gemsen-, schapen- en geitenkudden grazen. Zij schijnen zich in dezen tijd, waarin de jongen reeds medevliegen, minder aan de nabijheid der nesten te binden. In den winter worden zij, door de groote woestheid der bergtoppen, gedwongen hun verblijf lager te houden; nooit komen zij echter in de diepere vlakten. De gemsen hebben zich dan, even als de meeste dieren der Alpen die geen winterslaap houden, in de wouden begeven, waar de Gieren niet jagen. Een afgedwaalde vos, die wat laat in den morgen naar zijn hol terugkeert, een in den sprenkel gevangen haas, berghoenders en kraaijen, misschien een marder, zijn dan het eenige wat er voor de Gieren overblijft. Zoo dwingt de honger hen al dieper en dieper af te zakken, waar zij gemakkelijker een haas, een hond of eene kat kunnen meester worden. Als zij gaan zitten kiezen zij steeds even als de kondors een rotspunt. Hunne korte pooten en lange vleugels zouden eene opstijging