Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/354

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 340 —

stig uit de verzameling van Dr. paludanus te Enkhuizen, ontdekt en afgebeeld, en later nog een snavel in het Museum van Praag gevonden.

De Dodo werd ten allen tijde als een hoogst zonderling, ja, zelfs raadselachtig schepsel beschouwd. De vroegere schrijvers over dezen vogel toonden reeds aan, dat hij in eenige opzigten aan den Struis herinnert. Linnaeus plaatste hem aanvankelijk, zoo als ook buffon en vervolgens blumenbach en latham, bij de Struisvogels; maar later moest hij in zijn systema plaats nemen onder de Hoendervogels. Shaw vergeleek den bek van den Dodo met dien der Albatrossen; cuvier met dien der Alkas en de pooten met die der Pengoeïns. Temminck maakte voor den Dodo en Kiwi eene eigene orde, die der Ineptes. Andere hadden zelfs de meening geopperd, dat de overgebleven bek en pooten van twee verschillende soorten van vogels afkomstig waren, en de Dodo, zoo als die voorgesteld was, in het geheel niet had bestaan.—Intusschen werd eerst in 1830 de geschiedenis van den Dodo meer uitvoerig en opzettelijk behandeld, en wel door den Parijschen hoogleeraar de blainville.[1] Deze geleerde meende in den Dodo een afwijkenden vorm van het geslacht der gieren te zien. Deze stelling werd door den beroemden Engelschen ontleedkundige owen en anderen aangenomen, en bleef onaangetast, totdat omstreeks twaalf jaren later, brandt en reinhardt eene andere stelling opperden, namelijk dat de Dodo onder de duiven dient geplaatst te worden, en deze stelling, later in een prachtwerk door strickland en melville uitgegeven, breedvoerig ontwikkeld, werd door vele anderen aangenomen. Nieuwe onderzoekingen hadden intusschen brandt van meening doen veranderen, en hem den Dodo als een moerasvogel of steltlooper doen beschouwen. Slechts weinige zoo als poeppig, en a. wagner bleven den Dodo voor een struisachtigen vogel houden: eene stelling, welke ik, in de zitting der Kon. Academie der wetenschappen van 29 Februarij, getracht heb, voor het eerst uitvoerig te ontwikkelen en te bewijzen.

  1. Zijn arbeid zag echter het eerst in 1835 het licht.