Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/380

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 366 —

geheel ontwikkeld is, begint men een onderscheid tusschen maag- en darmvocht te bespeuren;—ook het alvleeschsap wordt door eene bijzondere klier afgescheiden;—kortom, hoe hooger wij komen, des te meer zien wij elk onderdeel van het spijsverteringswerk, elke bijzonderheid daarvan aan afzonderlijke organen en vochten opgedragen.

Er is echter eene tot de spijsvertering behoorende verrigting, waarop wij bijzonder onze aandacht moeten vestigen; ik bedoel de werktuigelijke verdeeling des voedsels. Eerst geschiedt deze slechts door de zamentrekking der spijsbuis zelve, in den beginne zonder, later met behulp van zamentrekbare vezels, welke eindelijk een' geheelen spierrok rondom het spijskanaal vormen. Spoedig evenwel nemen wij deelen waar, die tot dat werk opzettelijk zijn ingerigt, b.v. hoornachtige tandjes aan de binnenste oppervlakte der maag of, zooals bij de Zeeëgels, andere hoorn- of kalkachtige toestellen, die tot de fijnmaking der spijzen dienen. Maar het is vooral de mondopening, die tot dit einde groote veranderingen ondergaat, naarmate wij van de laagste tot de hoogste dieren opklimmen. Eerst niets dan eene opening in de zelfstandigheid des diers, is zij bij vele Ringwormen reeds van hoornachtige plaatjes voorzien; bij de Insekten en Schaaldieren vinden wij zeer ontwikkelde hoornachtige kaken, en de kopdragende en koppootige Weekdieren bieden eene dergelijke inrigting aan. Bij de Gewervelde dieren treffen wij eindelijk eenen eigenlijken tandtoestel aan,—behalve bij de Vogelen en bij eenige uitzonderingen uit de andere klassen;—en niet alleen dat zij tanden bezitten, maar deze zijn ook nog bij de Zoogdieren onderscheiden in snijtanden, hoektanden en kiezen, die alle hunne eigene verrigtingen uitoefenen. Soms zelfs zijn de kiezen mede in twee soorten verdeeld, en anders gevormd, naar gelang zij moeten dienen om dierlijke zelfstandigheden fijn te snijden, of plantaardige stoffen te verbrijzelen.

Nadat het voedsel in de spijsholte de vereischte bewerkingen ondergaan heeft, moeten de uit dat voedsel afgezonderde, thans in vloeibaren staat in de spijsholte aanwezige voedingsstoffen in alle deelen van het organisme worden verspreid. Bij de allereenvoudigste