Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/384

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 370 —

raamte, bepaaldelijk der ledematen, kan almede worden aangevoerd ten voorbeeld van de door de natuur in 't werk gestelde verdeeling des arbeids. Ik vergenoeg mij evenwel te doen opmerken, hoe bij het volkomenste dier, den mensch, die verdeeling tot haren hoogsten trap gebragt is, door de onderscheiding der ledematen in twee tot zeer verschillende verrigtingen dienende paren. Wat de zintuigen aangaat, zoo schijnt bij de lagere dieren slechts het gevoel ontwikkeld te zijn, van hetwelk het nog te bezien zou staan, of het wel tot bewustheid komt. Dit gevoel, of, gelijk misschien met eenigen grond kan vermoed worden, één algemeen, voor zeer onderscheidene indrukken vatbaar zintuig blijft langen tijd het eenige dat wij met zekerheid waarnemen. Bij de Medusen vindt men organen, die door sommigen voor oogen, door anderen voor werktuigen van het gehoor gehouden worden. Wat hiervan zij, zeker is het, dat de zintuigen van het gehoor en van het gezigt zich het eerst van het algemeene zintuig afscheiden, en dat de verdeeling van den arbeid vervolgens op beide haren volmakenden invloed uitoefent. Ik kan daaromtrent niet in bijzonderheden treden; alleen voer ik aan, dat in 't eerst het bekleedsel der oogen door de huid zelve gevormd wordt, die ter plaatse, waar de oogen door haar bedekt zijn, dun en doorschijnend is: dat alsdan in het oog slechts één lichtbrekend deel, de lens namelijk, voorhanden is, en er tevens zich geen spoor van iris vertoont; terwijl zich later allengs de verschillende rokken van het oog, de oogleden, het glasachtig ligchaam, het waterachtig vocht en de iris beginnen te ontwikkelen. Afzonderlijke organen voor den reuk en den smaak vertoonen zich eerst laat. Vele Insekten en Schaaldieren bezitten een' fijnen reuk, zonder dat men daarvoor met zekerheid organen kan aantoonen; waarschijnlijk zijn de reukorganen hier deelen, die ook tot andere verrigtingen dienen, even als de smaak bij de lagere dieren in het algemeen een vermogen is, dat aan alle deelen der mondholte of het begin van de spijsbuis toekomt.—Het gevoel, het algemeenst aanwezige zintuig, blijft bij voortduring verspreid over de geheele uitwendige oppervlakte des ligchaams, maar het wordt in sommige organen fijner dan in de overige, zoodat deze dan, ook door hun overige