Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/391

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 377 —

sprekende taal, naauwkeuriger ontwikkelde. Volgens hem bestaan er tusschen den hoogsten en laagsten graad van ligchamelijke of geestelijke volkomenheid een bijna oneindig aantal tusschengraden. De opeenvolging dezer graden vormt de algemeene keten der geschapene dingen, die alle wezens vereenigt, alle werelden aan elkander verbindt, alle spheren omvat. Slechts één enkel wezen staat buiten die keten: het is Hij, die haar gemaakt heeft.—Er zijn geene sprongen in de natuur; alles is er gegradueerd, genuanceerd; er bestaat geen ledig tusschen twee wezens. Onze verdeelingen kunnen nooit scherp zijn; want tusschen elke twee klassen of geslachten bestaan wezens, die niet meer tot de eene dan tot de andere behooren, en ze dus zamen verbinden. Die verdeelingen zijn dus willekeurig en onnatuurlijk. Alle plant- en diersoorten op deze aarde vormen als 't ware de op elkander volgende sporten van eene ladder, welke oprijst van het eenvoudige tot het zamengestelde, van het minder tot het meer volmaakte. Zoo is het ook met de ladder van elke wereld; en allen met elkander stellen ééne enkele reeks zamen, die tot eersten term heeft het atome, tot laatsten den verhevensten der Cherubim.

Dit denkbeeld, door lateren, o.a. door lamarck, in sommige opzigten gewijzigd, heeft, niettegenstaande het door anderen, b.v. réaumur en cuvier, bestreden werd, veler bijval verworven. En geen wonder! Het prijst zich aan door eenvoudigheid en grootschheid tevens. Want wat is natuurlijker en eenvoudiger, dan zich eene onafgebrokene reeks voor te stellen, in welke alle bestaande plant- en diersoorten naar den graad harer volkomenheid zoo gerangschikt zijn, dat elke eenen overgang vormt tusschen de voorgaande en de volgende? En welk een grootsch denkbeeld is het, wanneer wij ons,—de engelen en de bovenaardsche scheppingen nu eens daargelaten—de aardsche levende schepping verbonden denken door een' onafgebroken band, waarvan het eene uiteinde gevormd wordt door de naauwelijks georganiseerde cel, het andere door het volkomenste bewerktuigde wezen, den mensch?

En toch is datzelfde denkbeeld in den grond valsch. Zooals het werd aangenomen door bonnet en zijne onmiddelijke navolgers, loopt dit terstond in het oog. Bij zulk eene reeks, als waarvan