Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/393

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 379 —

heid, maar naar de meerdere of mindere volkomenheid der afzonderlijke deelen boven elkander moeten worden geplaatst. Vele dieren zullen dan in elke dezer reeksen eene plaats innemen, maar in de eene eene hoogere, in de andere eene lagere. In de reeks b.v. die den aard van het geraamte ten grondslag heeft, zullen de haaijen en roggen beneden de meeste overige visschen staan; maar in die reeksen, welke berusten op den ontwikkelingsgraad van het zenuwstelsel, en op de volkomenheid der voortplantingsorganen zullen zij boven alle Visschen, en tusschen deze en de Kruipende dieren geplaatst zijn.

In de tweede plaats is de leer van eene enkele onafgebrokene dierenreeks te verwerpen, omdat zij eene volstrekte eenheid van plan in de vorming van het geheele dierenrijk veronderstelt. Volgden alle diersoorten, of ook maar alle geslachten van dieren zoo op elkander, dat elke volgende soort of elk volgend geslacht als de hoogere ontwikkeling van de voorgaande soorten en geslachten kon worden aangemerkt, dan zou er eigenlijk voor de gezamenlijke dieren slechts een enkele grondvorm bestaan, van welken zij allen slechts wijzigingen zijn zouden;—de natuur zou alle dieren volgens een enkel plan zamengesteld hebben, en het verschil der dieren zou slechts berusten op wijzigingen van dat algemeen plan. Zóó ver drijft de natuur echter haar beginsel van spaarzaamheid niet. Er bestaat zonder twijfel bij de dieren eene zekere eenvormigheid van hunne zamenstelling, voor zoo ver men eene algemeene overeenkomst waarneemt in de hoofdorganen, welke tot het zamenstel van elk dier behooren; wel niet bij elk dier, maar toch overal door het geheele dierenrijk heen vinden wij een spijskanaal, klieren, vochtvoerende buizen, een hart, kieuwen of longen, zenuwen en zenuwmiddenpunten, spieren en hefboomen, enz.; en ook de weefsels, waaruit die organen bestaan, zijn of van denzelfden aard, of althans met elkander vergelijkbaar. Maar eene algemeene eenheid van plan in de zamenvoeging dezer elementen tot dieren ontwaren wij niet. De natuur is bij de zamenstelling van het dierenrijk van meer dan één plan uitgegaan; zij heeft niet een, maar verscheidene grondvormen zich voorgesteld, en elke van deze uitgewerkt, wel altijd met inachtneming van haar beginsel van volmaking, maar toch op