Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/506

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

DE KRACHT DER GEWOONTE.

 

 

Lyell, in zijne reis door de Vereenigde Staten van Noord-Amerika (vol. I, p. 102), verhaalt het volgende:

"Van den Lehigh-Summit-mijn daalden wij over eenen afstand van negen mijlen langs eenen spoorweg af, voortgestuwd door ons eigen gewigt, in eenen kleinen wagen, met eene snelheid van twintig mijlen in het uur. Een man zat voorop, onzen spoed op de steilere hellingen vertragende door eene dregge, terwijl hij tevens gestadig de raderen oliede. Langs dezen zelfden weg wordt ook de steenkool nedergelaten, en dagelijks worden zestig muilezels gebruikt, om de ledige wagens weder naar boven te trekken. Des avonds worden de muilezels zelve naar beneden gezonden, staande vier nevens elkander voor kribben, waaruit zij gedurende den geheelen weg eten. Wij zagen hen afgaan in eenen langen trein van wagens, en men verhaalde ons, dat deze dieren zoo geheel overtuigd zijn, dat de bezigheid van hun leven bestaat in het trekken van lasten tegen den berg op, en in het naar beneden rijden op hun gemak, dat, indien eenige van hen later tot ander werk worden gebruikt, zij zonder aarzelen zware lasten tegen steile hellingen ophalen, maar standvastig weigeren eenig voertuig naar beneden te trekken, houdende zij dadelijk en onbewegelijk op de plek stil, zoodra zij aan het begin der geringste helling komen.

Hg.