Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/542

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 132 —

lens naar het begin der regels van een boek, en men zal gewaar worden, dat in het eerste geval de regels uit en in het laatste inspringen met betrekking tot die, welke men buiten het glas waarneemt. Worden nu, zoo als boven is gezegd, de beide dikste deelen der glazen naar buiten gekeerd, zoo zal de figuur, die voor het regteroog moet dienen, en juist onder het regterglas ligt, een weinig naar de linkerhand verplaatst schijnen; de ter linkerhand liggende figuur gelijkerwijze iets regts, en het over elkander vallen der twee beelden is er het gevolg van. De beide oogen ontvangen daardoor dezelfde indrukken, die zij zouden verkregen hebben van het wezenlijke ligchaam, waarvan de twee figuren voorstellingen zijn, en wel de eene zooals het linker-, de andere zooals het regteroog alleen het ligchaam zou hebben gezien.

Hij, die zich voor de eerste maal met de verschijnselen, die de stereoskoop oplevert, bekend maakt, ondervindt een moeijelijk te beschrijven genoegen; mij is ten minsten het geval meermalen voorgekomen, dat de waarnemer niet gemakkelijk konde besluiten, om zich van het werktuig te verwijderen, en hij zich niet konde verzadigen aan het genot, dat het hem verschafte. De algemeene ingenomenheid met de door den stereoskoop verkregene uitwerkselen heeft mij aangespoord, om, niettegenstaande het door den heer logeman daarover reeds gesprokene, nogmaals de aandacht daarop te vestigen, en eenige oogenblikken aan de overweging van het genoegen en het nut, dat hij oplevert, te wijden. Hetgeen ik daarbij nog betrekkelijk het zien met twee oogen wenschte te vermelden, is mij door het schrijven van "het opmerkelijke in eene alledaagsche zaak" zeer gemakkelijk gemaakt.

Men heeft zich reeds veelvuldige malen beijverd, om te verklaren, wat toch wel de reden zijn mogt van de overtuiging, die wij bij het zien van een voorwerp verkrijgen, dat het verheven is, uit- of inspringende deelen bezit, dat het inderdaad ligchamelijk is. Sommigen noemden dit het werk van het oordeel; het zintuig des gevoels helpt hierin het oordeel, zeide men: anderen meenden de oorzaak te moeten zoeken in den aard of de natuur van het gezigtsorgaan; hoedanig de dieren die overtuiging verkregen, kon