Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/552

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 142 —

van de photographie, de platen voor den stereoskoop voort brengt. Zeker zou, zonder de hulp dezer kunst, die van jaar tot jaar belangrijker wordt, de uitvinding van het laatstgenoemde werktuig niet die algemeene belangstelling hebben opgewekt; dit getuigt de sluimer, waarin zij verkeerd heeft, zoo lang zij van de vermelde hulp verstoken was. De schilderkunst toch kon en zal het wel nimmer zoover brengen, om met zooveel juistheid, zoo geheel overeenkomstig de wetten van het twee-oogig zien, de stereoskopische teekeningen te scheppen, als het licht zulks doet. Het vervaardigen van stereoskopische figuren berust, zooals wij uit den eersten jaargang vernomen hebben, op de omstandigheid, dat er, zoo wij met twee oogen naar een ligchaam zien, geene beelden op het netvlies der beide oogen worden geprojecteerd, die in alle opzigten gelijk zijn. Sluiten wij namelijk het regteroog, dan kunnen wij meer deelen van de linkerzijde des ligchaams waarnemen, dan wanneer wij het linkeroog sluiten en met het regter zien; in het laatste geval bespeuren wij meer van de deelen die regts liggen. Het verschil in de beide bovengenoemde beelden, die in het linker en regteroog ontstaan van een ligchaam, waarnaar wij het aangezigt hebben gewend, zal des te grooter zijn, naar mate wij er ons digter bij bevinden, en dat verschil valt schier geheel en al weg, indien wij ons op een' grooten afstand er van plaatsen. In het eerste geval zullen de vooruitspringende of verdiepte deelen, met andere woorden, zal het relief des ligchaams meer sprekend zijn dan in het laatste; het relief zou zelfs op korten afstand onnatuurlijk groot worden, zoo wij het geheele ligchaam op eenmaal konden overzien; maar dit gebeurt niet, omdat wij doorgaans de oogen slechts naar die punten rigten, waarop onze aandacht bijzonder gevestigd is. Op verren afstand daarentegen treedt het relief bijna in het geheel niet op; wij zien het ligchaam bijna plat. Men bedenke intusschen wel, dat wij hier over een enkel ligchaam of over niet zeer groote uitgebreidheden spreken; bij het beschouwen van een meer uitgestrekt landschap of stadsgezigt bij voorbeeld verhoudt zich de zaak anders.

Men stelle zich thans voor, dat de oogen door twee bolle len-