Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/726

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 316 —

hemels had gekend, die meer eenvoudige en onvermengde gevolgen van de beweging der aarde zijn, dan de zamengestelde schijnbare beweging der planeten. Zulke verschijnselen, die hij als regtstreek- sche bewijzen voor de beweging der aarde had kannen aanvoeren, bestonden voor hem niet, maar wat de verbeterde kunst van waar- nemen in lateren tijd aan den hemel heeft doen ontdekken, was meer dan copernicus had kunnen wenschen , en zoude, voor de bevestiging van zijn stelsel, meer dan toereikend zijn geweest, al ware de algemeene aantrekkingskracht geheel onbekend gebleven. Naauwelijks waren, in het begin der zeventiende eeuw, de eerste kijkers naar den hemel gerigt, toen de denkbeelden omtrent den bouw des heelals, die aan de omhelzing van het stelsel van copernicus den meesten tegenstand hadden geboden, zich als grove dwalingen deden kennen, en onderscheidene verschijnselen werden gezien, die vóór de uitvinding der verrekijkers, verborgen moesten blijven, maar die, door copernicus zelven , als noodzakelijke ge- ve Igen van zijn stelsel waren aangewezen. Bij Mercurius en Venus verried zich eene afwisseling van schijngestalten en eene toe- en afneming van hare schijnbare grootte, die met elkander ten duide- lijkste bewezen, dat althans deze planeten zich om de zon moesten bewegen, in kringen, die weinig van cirkels verschillen. De overige planeten vertoonden zich als schijven van eene veranderlijke grootte, die noodwendig door haren veranderlijken afstand tot de aarde werd bepaald, maar die tegen het stelsel van ptolemeus streed en met dat van copernicus overeenkwam. De wentelincren om bepaalde assen en de wachters, bij sommige planeten ontdekt, wa- ren nieuwe en krachtige bevestigingen van het stelsel van copernicus, en toen de sterrekundige meetwerktuigen eene volkomenheid hadden verkregen, die eene bepaling van de grootte en den eigen- lijken afstand van de ligchamen des zonnestelsels gedoogde, be- toonden deze zich, tegen alle vroegere meeningen, zoo groot met betrekking tot de aarde, dat het eene dwaasheid was geworden, de aarde als het stilstaand middelpunt te beschouwen, om hetwelk alle overige ligchamen des hemels zich bewegen.

Het kon de opmerkzaamheid van copernicus niet ontgaan, dat