Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/588

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
164
DE MONDEN DER RIVIEREN.

ons vaderland voorkomen, dat wij bijzonder het oog hebben. Op de gronden van de aloude vloedvorming, in Drenthe, oostelijk Friesland, Overijssel, Gelderland enz. ontwikkelden zich mede bosschen, die tot veen overgingen, en met den naam van hooge veenen worden bestempeld; maar daarover spreken wij thans niet;—het zijn de veenen in Holland, westelijk Friesland, noordelijk Groningen en langs de boorden der Zuiderzee, waarop wij onze aandacht vestigen.

Overal, waar afgestorven planten in zeer vochtigen toestand, onder geringe toetreding der lucht verkeeren, ondergaan zij eene eigenaardige ontbinding, waarbij eenige zuurstof uit de lucht wordt opgenomen, en veel koolzuur en water nevens eenig koolwaterstofgas ontwijkt. Het gevolg van deze ontbinding is, dat er bruine stoffen terug blijven, die zeer koolstof houdend zijn en ten deele zure eigenschappen bezitten, welke men met den naam van humusachtige ligchamen heeft bestempeld. Komen deze stoffen in den bodem met kalk, aluinaarde of andere loogachtige zelfstandigheden zamen, zoo vormt zich de tuinaarde, waarin eenige der den humus zamenstellende stoffen aan genoemde loogen verbonden voorkomen; dit heeft plaats in onzen bouwgrond, waar dan de humusverbindingen voortgaan zich te ontleden en tot de lucht weder te keeren, terwijl zij onder die ontbinding krachtig tot de werkzaamheid van den bodem en de voeding der planten bijdragen. Maar daar, waar de eene laag van rottende planten zich onder water op de andere afzet, waar de lucht moeijelijker kan toetreden dan in den bouwgrond, ontstaat eene eenigzins gewijzigde ontbinding, waarbij de plantenstoffen in den loop der eeuwen niet in de lucht vervliegen, maar onder vrijwording van de overige bestanddeelen steeds rijker aan koolstof worden en allengskens in turf, bruinkool en steenkool overgaan. Wij zouden deze verveening of verturving dus eene verkoling kunnen noemen, omdat aan het einde van deze werking alleen de koolstof der planten terug blijft, gelijk ons de alleroudste steenkolen- of anthracietlagen leeren kunnen. Bij deze verturving zijn er niet altijd loogen genoeg aanwezig, om de zure humusstoffen te binden, zoodat de veenen veelal een zuur karakter hebben, en zich hierdoor in den regel van de vruchtbare tuinaarde onderscheiden. Het hangt deels