van de onbewerktuigde tot de bewerktuigde natuur. Hunne vormen zijn architectonisch, als uit steen gehouwen, en doen ons denken aan onze blad- en schelpvormige muurornamenten. Hun kleur is als die der steenen, graauw, vaalgroen, wit, geelachtig of rozenrood; op het aanraken zijn zij hard, droog en lederachtig; zij groeijen bij voorkeur op steen, hout, zelfs op metaal; hoe minder warmte om hen, hoe minder leven in den bodem, waarop zij groeiijjen, hoe liever het hun is. Zij zijn in de poolstreken, op de toppen der bergen, in de schraalste oorden der aarde de laatste vertegenwoordigers van het plantenrijk en waren daar waarschijnlijk eenmaal de eerste. Op den Montblanc vindt men ze op 14000 voet hoogte, op de Andes tot op 17000 voet, en bij ons zijn zij in den winter, zelfs bij de felste koude, in hunne volle ontwikkeling. Zij trekken uit den dampkring hun voedsel en hechten zich door vezeltjes aan de rotsen, muren of boomen, waarop zij groeijen. Hun groei op de stammen der boomen vertoont ontwikkeling, naar mate het leven der boomen zijn jeugdige kracht verliest. Zoo zien wij op jonge, gladde boompjes slechts het kleine, zwart gestippelde Schriftmos (Ophegrapha), op oudere boomen de meer korstvormige Schildmossen (Parmelia) en op zwakke, kwijnende voorwerpen de Takmossen (Ramalina), die zich met verdubbelde kracht vertoonen, zoodra het leven uit takken of stam geweken is. De boom is dan geheel met het lange, vertakte, graauwe mos bedekt; slechts hier en daar komt de donkere oppervlakte der half doode takken onder dit grauwe kleed tevoorschijn, enmet zijn dun gebladerte is de boom het beeld van den afgesleten mensch, die zijn zelfstandigheid heeft verloren, en door 's levens kleine bezwaren wordt ten grave gebragt.
| Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen. |
Fig. 1. Korstmos op Boomschors.