dood hout, boomstronken en yochtigen grond oprijzen, en eene toenadering tot den vorm der Wieren vinden wij in het sierlijke fijn vertakte Rendiermos (Cladonia rangiferina), dat in onze duinen die talrijke zachtblaauwe kussens vormt en met het IJslandsche Mos
| Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen. |
Fig. 5. Cetraria islandica. Fig. 6. Roccella tinctoria.
(Cetraria slandica) en het Lakmoes-mos (Roccella en Lecanora) tot de in het dagelijksch leven meest bekende korstmossen behoort.
Het grootste en schoonste der inheemsehe Korstmossen is het Honds-lappenmos (Peltigera canina), dat in den herfst en het voorjaar geheele plekken onder het geboomte bedekt en bij voorkeur op vochtigen zandgrond groeit. In den Haarlemmerhout vormt het breede, schoon golvende, dunne lederachtige lappen, boven grijsbruin, onder helder wit met vele vezelachtige tandjes, terwijl aan de schelpvormig gewelfde uiteinden zich de roode, driehoekige vruchtjes bevinden. Op nog schraler grond, in de duinstreken, is dit mos waarlijk teekenachtig. Daar is zijne kleur lichtbruin met donkere, fraai geteekende strepen, die de golvingen van het loof volgen en door vochtigheid zich donkerder vertoonen. De randen zijn daar meer omhoog gerigt en hunne witte ondervlakten en roode vruchtjes steken vrolijk af bij het bruin der bovenvlakte. Van onder de afgevallen bladeren komt met dit mos in den herfst een nieuw leven te voorschijn, geheel anders dan het vervlogene, maar niet minder eigenaardig, een leven, dat ons aan de opeenvolgende toestanden van ons eigen leven herinnert, waarin voor elken leeftijd zoovéél eigenaardigs