| Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen. |
Fig. 14. Polytrichum formosum.
ten zweemt, namelijk tweederlei bloemen, een op langen steel gedragen urnvormig en een op korte stengels tusschen de bovenste bladeren ingesloten knopvormig orgaan. Het eerste bevat de kiemcellen en strooit die bij zijne rijpwording uit; het andere vertoont eene opeenhooping van kleine, draadvormige vezeltjes, waartusschen langwerpige buisjes, die uiterst kleine slangvormige ligchaampjes uitwerpen. Deze ligchaampjes bewegen zich bij hun te voorschijn komen heen en weder als kleine diertjes en spelen eene dergelijke rol als de stuifmeelkorrels bij de zigtbaar bloeijende planten, door namelijk de andere, urnvormige bloemen te bevruchten. Deze laatsten zijn boven voorzien van een dekseltje, dat er bij het rijpworden afspringt en bij het Polytrichum en vele andere Bladmossen nog met een sierlijk kapje bedekt is. Wanneer dit dekseltje is verwijderd, ziet men den mond van het doosje voorzien met een of twee rijen kleine tandjes, die bij vochtig weder den mond sluiten, als om het zaad voor vocht te bewaren en bij de geheele rijpwording uitdroogen en als een kroontje uiteen staan, waardoor het zaad in vrijheid komt. De vorm en zamenstelling dezer tandjes verschilt in alle Bladmossen en is een van hunne voornaamste onderscheidende kenmerken. Dit onderscheid gaat tevens gepaard met een voor het bloote oog duidelijker verschil in de stelling en den vorm der bladeren, waaraan vooral de verbazend groote groep der Dekmossen (Hypnum), die min of meer gevind, zijdelings vertakt, varenvormig loof bezit, gemakkelijk te herkennen is. Een der fraaiste