Naar inhoud springen

Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/172

Uit Wikisource
Er is een probleem opgetreden bij het proeflezen van deze pagina
139
HET ONTSTAAN DER INGEWANDSWORMEN.

andere wijzen van vermenigvuldiging, aan nieuwe dieren het leven; wij willen ze daarom, al is het woord niet geheel gelukkig gekozen, voedsters[1] noemen. Deze nieuwe dieren, de tweede generatie, kunnen nu tot geslachtsdieren zich ontwikkelen, of wel, zelve nog als voedsters optredende, weder andere dieren voortbrengen; dit kan zelfs nog verder gaan, totdat er ten laatste weder geslachtsdieren ontstaan, hetgeen alzoo na ééne, maar ook wel eerst na verscheiden generaties kan plaats hebben; men kan alsdan de opvolgende voedsters als eerste, tweede voedsters enz. onderscheiden.

Bij deze algemeene schets der teeltwisseling merken wij nu nog op, dat zij niet alleen bij de ingewandswormen, maar ook bij verscheidene andere dieren, altijd echter bij de lagere en nooit bij de gewervelde dieren (visschen, kruipende dieren, vogels, zoogdieren) is waargenomen. Bij sommigen is er weinig verschil tusschen de geslachtsdieren en voedsters of tusschen de voedsters onderling, bij anderen is het zoo groot, dat er niet de minste overeenkomst te bespeuren is. Bij de ingewandswormen is het verschil tusschen de opvolgende generaties zeer aanmerkelijk. De geschiedenis der aan teeltwisseling onderworpen dieren kan ook nog daardoor ingewikkelder worden, dat somwijlen de voedsters of geslachtsdieren gedurende hun levensloop groote veranderingen van gedaante ondergaan, zoodat zich bij de teeltwisseling ook nog de gedaantewisseling voegt.

Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen.

Fig. 1. De leverbot der schapen (Distoma hepaticum); a op de rugzijde, b op de buikzijde gezien, ¾ nat, grootte

Een der merkwaardigste voorbeelden van teeltwisseling wordt ons door de botwormen, waartoe de straks vermelde bot uit de lever der schapen behoort, geleverd. De botwormen brengen eijeren voort en zijn dus geslachtsdieren, welke alleen in gewervelde dieren worden aangetroffen, maar de voedsters, die zeer in gedaante afwijken, komen in allerlei dieren voor. Wel is waar is het nog niet gelukt eene der soorten in al hare veranderingen en verhuizingen na te gaan, maar de waarnemingen, op

  1. Steenstrup gaf daaraan den naam van Ammen.