kenmerken aan, waardoor de verschillende soorten herkend kunnen worden. Deze kenmerken behoeven echter thans niet besproken te worden.
Aangaande den allereersten toestand, waarin de jongen uit het ei te voorschijn komen, heerscht eenige onzekerheid; het is nog onbeslist of zij al of niet met haken zijn toegerust[1]. Hoe het zij, het jong dringt bij verschillende zeevisschen, b.v. tongen en schollen, zeeduivels, schelvisschen, door de wanden van het darmkanaal heen en geraakt zoo in de buikholte, waar het door de vochten van het buikvlies door een hulsel omgeven wordt. De afbeeldingen van fig. 15 stellen de opvolgende veranderingen van het omhulde dier voor. Weldra ontstaat er eene indeuking der blaas naar binnen, die
| Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen. |
Fig. 15. Ontwikkeling van een lintworm der visschen, Rhynchobothrium; in het blaasvormige omhulde jong a vormt zich een lintwormkop. Bij b en c ontstaat namelijk eene indeuking in de blaas; bij d, e, f, g ontwikkelt zich in de holte een lintwormkop op een hals, die in afbeelding h gekromd is, bij i en k uit de blaas te voorschijn komt, bij l er van losraakt. Bij i, k en l ontbreekt het hulsel.
in korten tijd dieper wordt. Op den bodem der indeuking vormt zich dan eene verhevenheid of knop, aan dit knopje worden twee zuiggroefjes zigtbaar en kort daarna kan men het duidelijker erkennen als den kop van den aanstaanden lintworm, die zich langzamerhand verheft en op een hals komt te zitten. De hals wordt weldra langer,
- ↑ Sommigen spreken van vier haken, anderen ontkennen het aanwezig zijn van haken geheel en al.